Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.3.3
III.12.3.3 Kwalificatie van het intrekkingsbesluit
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375286:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ABRvS 18 juli 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD2823, waarin in het kader van de intrekking van een verlof op grond van art. 7 lid 2 WWM wordt benadrukt dat de houder van een verlof zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van zijn medeburgers. Daarom kan reeds bij geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering voldoende reden zijn om het verlof in te trekken. Vgl. ook Circulaire wapens en munitie 2014 paragraaf B1.2.
ABRvS 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2274, ABRvS 25 oktober 2006, ECLI:NL: RVS:2006:AZ0808, ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7013 en ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2244.
ABRvS 4 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2245.
Zie onder meer ABRvS 27 maart 2002, AB 2002/195 m.nt. Neerhof en JB 2002/124 m.nt. Albers, ABRvS 23 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8321 en ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:201:BR6340.
ABRvS 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2763 en ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL: RVS:2013:CA0629.
Vgl. Neerhof en Albers in hun onderscheiden annotaties bij voornoemde Afdelingsuitspraak van 27 maart 2002.
Vgl. hoofdstuk 6.
ABRvS 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0522.
Zo valt te wijzen op de reeds in paragraaf 6.3.3.2 aangehaalde uitspraak van het CBb van 22 maart 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BP9353, waarin de tijdelijke schorsing van een vergunning voor het vervoer van dieren werd gekwalificeerd als herstelsanctie. De schorsing was immers bedoeld om de vergunninghouder orde op zaken te laten stellen en had aldus niets van doen met bestraffing.
Op grond van de twee onderzochte wetten kan een beschikking ook worden ingetrokken wanneer sprake is van een overtreding. Het gaat dan om overtreding van zowel voorschriften (of beperkingen) die aan de beschikking zijn verbonden als algemene regels die de houder van een beschikking gehouden is na te leven. Dat deze wetten hiertoe een expliciete bevoegdheid scheppen, ligt voor de hand gelet op de activiteiten die deze wetten reguleren. Het betreft activiteiten waarbij vanuit veiligheidsoogpunt een sterke nadruk wordt gelegd op normconform handelen. Van de houder van een beschikking mag daarom worden verwacht dat hij zich strikt aan het bij of krachtens de wet gestelde houdt.1 Een ruime bevoegdheid tot intrekking ingeval van normovertreding past hierbij.
De vraag die hierbij kan worden gesteld is die naar de kwalificatie van de intrekking bij wijze van sanctie. In de paragrafen 6.2 en 6.3 bleek dit geen eenvoudige vraag te zijn. Wat betreft de intrekking op grond van art. 7 lid 2 WWM heeft de Afdeling bestuursrechtspraak diverse malen overwogen dat het een maatregel betreft ter bescherming van de veiligheid van de samenleving. 2 Het gaat naar het oordeel van de Afdeling niet om het opleggen van een strafrechtelijke sanctie. In een uitspraak uit 2007 oordeelt de Afdeling dat intrekking van het verlof niet als doel heeft de houder van het verlof te straffen, maar is gericht op beëindiging van diens uitzonderingspositie en daarmee het waarborgen van de veiligheid van de samenleving. Derhalve is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een bestraffende sanctie.3
Wat betreft intrekking op grond van de DHw heeft de Afdeling diverse malen overwogen dat dit geen bestraffende sanctie betreft.4 In 2011 bestempelde de Afdeling intrekking op grond van de DHw als een herstelsanctie.5 Opvallend is dat het in de hier genoemde gevallen ging om intrekking op grond van art. 31 lid 1 onder b en d DHw: het niet langer voldoen aan de in de artikelen 8 en 10 gestelde eisen, respectievelijk het zich in de inrichting hebben voorgedaan van feiten die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning een gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Zoals reeds aangegeven in paragraaf 6.2 kan in deze gevallen worden getwijfeld of überhaupt sprake is van een sanctie. De vraag is immers of sprake is van enige normovertreding.6
Tot slot nog enkele opmerkingen met betrekking tot het op 1 januari 2013 ingevoerde instrument van schorsing. Schorsing kan onder meer geschieden wanneer de vergunninghouder voor hem op grond van de DHw geldende algemene regels overtreedt. De schorsing kan dan worden gekwalificeerd als een sanctie.7 De vraag is van wat voor soort sanctie dan sprake is. Een en ander is uiteraard afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Niettemin kan hier mijns inziens een parallel worden getrokken naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2011, waar de schorsing van een marktvergunning centraal stond.8 De vergunning werd geschorst, omdat de vergunninghouder meerdere malen voor hem geldende voorschriften had overtreden. Meer in het bijzonder had hij de markt diverse keren vroegtijdig verlaten. De Afdeling lijkt ervan uit te gaan dat sprake is van een bestraffende sanctie. Zoals gezegd, blijft een en ander afhankelijk van de omstandigheden van het geval.9