Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.4.1.1
6.4.1.1 De Gesellschaft bürgerlichen Rechts
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS388004:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
O. Jensen, ‘GbR-Die Gesellschaftform für Freiberufler’, 14 november 2008, te raadplegen via:<www.drweb.de/magazin/gbr-die-gesellschaftsform-fur-freiberufler/>.
Lehmann 2007, p. 241. Het verschil tussen Rechtsfähigkeit (rechtssubjectiviteit) en Rechtspersönlichkeit (rechtspersoonlijkheid) zit, naar Duits recht met name in het feit dat alleen ‘(juridische) personen’ rechtspersoonlijkheid kunnen hebben. Zowel natuurlijke als ‘juridische personen’ (naar Nederlands recht de rechtspersonen als bedoeld in art. 2:5 BW) zijn naar Duits recht als zodanig aan te merken. Personenvennootschappen zijn echter niet aan te merken als een ‘persoon’ (het betreft immers een contract tussen meerdere personen en het samenwerkingsverband heeft bijvoorbeeld ook geen ‘organen’ (zoals natuurlijke en juridische personen wel hebben) en kunnen daarmee op grond van het Duitse recht dan ook geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Er wordt in de literatuur echter gediscussieerd over wat het precieze onderscheid tussen Rechtsfähigkeit en Rechtspersönlichkeit nog inhoudt aangezien de materiële kenmerken overeenkomen.
Bundesgerichtshof, Urteil des II Zivilsenats vom 29. Januar 2001.
Deze gemeenschappelijke naam mag overigens een fantasienaam zijn maar ook bestaan uit de namen van de vennoten.
Nu dit op grond van § 17 lid 1 Handelsgesetzbuch (hierna: HGB) slechts voorbehouden is aan de zogenoemde Handelsgesellschaften: de Offenen Handelsgesellschaft en de Kommanditgesellschaft.
O. Jensen, ‘GbR-Die Gesellschaftform für Freiberufler’, 14 november 2008, te raadplegen via: <www.drweb.de/magazin/gbr-die-gesellschaftsform-fur-freiberufler/>.
Kliebisch 2011, p. 445.
Partnerschaftsgesellschaftsgesetz (BGBI. 1 S. 1744).
De GbR is de eenvoudigste samenwerkingsvorm die het Duitse recht kent en goed te vergelijken met de Nederlandse (stille) maatschap. Zij is een veel gebruikte rechtsvorm onder beroepsbeoefenaren.1 Voor het ontstaan ervan zijn (slechts) twee samenwerkende personen (natuurlijke personen of rechtspersonen) vereist met een gemeenschappelijk doel.2 De GbR kan vormvrij worden aangegaan; een mondelinge overeenkomst of zelfs een bepaalde handeling (bijvoorbeeld het samen betrekken van een pand) is voldoende. Het recht3 dat van toepassing is op de GbR, is regelend van aard en geldt dus voor zover de vennoten niet anders zijn overeengekomen. Dit maakt de interne structuur van de GbR zeer flexibel. Een GbR kan aangemerkt worden als een rechtssubject (zij is geen rechtspersoon in de betekenis daarvan naar Nederlands recht4) met eigen rechten en plichten en heeft (daarmee) ook procesbevoegdheid.5
Wanneer een GbR onder gemeenschappelijke naam6 naar buiten toe op wil treden mag dit doel niet gericht zijn op het drijven van een onderneming: in een ‘open’ GbR kan geen zogenoemde Firma worden uitgeoefend en de GbR is daarmee, net als de maatschap naar Nederlands recht, slechts geschikt voor het gebruik door beroepsbeoefenaren.7
Net als de Nederlandse personenvennootschap heeft de GbR als aantrekkelijke eigenschap (naast de flexibele oprichting en organisatie) dat de vennoten geen plicht hebben tot het publiceren van een jaarrekening. Bovendien is de GbR fiscaal transparant en (dus) niet onderworpen aan vennootschapsbelasting.8 Hoewel de GbR veelvuldig werd (en wordt) gebruikt door beroepsbeoefenaren in Duitsland, ervoeren velen van hen toch een groot nadeel aan deze rechtsvorm: de vennoten zijn namelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van het samenwerkingsverband.9 Lange tijd bestond er onder andere door deze aansprakelijkheid, die bovendien ongemerkt kan intreden nu een GbR vormvrij kan worden aangegaan, onder beroepsbeoefenaren de behoefte aan een meer op hun wensen afgestemde rechtsvorm. Om tegemoet te komen aan deze behoefte is op 1 juli 1995 in Duitsland de wet10 met betrekking tot de Partnerschaftsgesellschaft in werking getreden. Deze rechtsvorm wordt in de volgende paragraaf besproken.