De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/12:12
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/12
12
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 16-02-2026
- Datum
16-02-2026
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:BSD46367:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Potjewijd 2002, p. 25-26; zie ook hierna nr. 52.
HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460, JOR 2015/26 (Snippers q.q./ Rabobank), onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 249 (MvA II). Dit past volgens de Hoge Raad in het streven van de wetgever om nietigheden en de gevolgen daarvan terug te dringen. Zie ook HR 10 december 2010, NJ 2010/669 (Mesdag I).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Soms kan hetzelfde rechtsgevolg worden bereikt met zowel een feitelijke als een rechtshandeling. Dit geldt bijvoorbeeld voor bekrachtiging in de zin van art. 3:58 BW. Als pas na het verrichten van een rechtshandeling een wettelijk geldigheidsvereiste vervuld wordt, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijd de handeling als geldig hebben aangemerkt, is de rechtshandeling daarmee bekrachtigd. Een overdracht kan bijvoorbeeld bekrachtigd worden als een beschikkingsonbevoegde over een goed beschikt heeft, waarvan hij later rechthebbende werd. Als het ‘als geldig aanmerken’ de vorm heeft van een wilsverklaring waarmee bekrachtiging beoogd wordt, is sprake van een (eenzijdige) rechtshandeling.1 Voldoende voor ‘als geldig aanmerken’ is echter ook dat de belanghebbenden stilzitten, dat zij zich niet op de nietigheid beroepen hebben en dat zij zich niet hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de rechtshandeling.2