Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.5:I.2.5 Tussenconclusie
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.5
I.2.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495302:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijn conclusie is dat de strekking van de belasting die conform de Wet OB 1968 en de Btw-richtlijn wordt geheven, die van een omzetbelasting en tevens een verbruiksbelasting is. Uit de elementen ‘omzetbelasting’ en ‘verbruiksbelasting’ vloeien de algemeenheid van de belasting, de evenredigheid van de belasting aan prijzen en het voorkomen van verstoringen van de mededinging voort. Eén en ander is weergegeven in de figuur in paragraaf 2.3.1. Cruciaal is in mijn visie dat verbruik in de zin van de omzetbelasting veronderstelt dat een goed of een dienst is ontstaan door toevoegingen van waarde (productie) in productiehuishouderingen (ondernemingen). Verbruik kan daarom, bijvoorbeeld, geen betrekking hebben op de door een particulier in eigen tuin en voor eigen behoeften gekweekte groenten. De eis dat verbruik het resultaat is van productie in bedrijfshuishoudingen, brengt ook met zich dat daarvan geen sprake kan zijn bij (fiduciair) geld, aandelen en vergelijkbare abstracties. Overdrachten van aandelen en geld alsmede kredietverlening zijn als zodanig geen voortbrenging of voortstuwing van goederen of diensten in een productie- en distributieketen. Idealiter worden zij daarom ook niet als zodanig behandeld voor de omzetbelasting.