Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.3.2.2
III.14.3.2.2 Intrekking als inbreuk op art. 1 EP
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380176:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 6 juli 2005, AB 2005/376 m.nt. Pennings, EHRC 2005/98 m.nt. Pennings, USZ 2005/395 m.nt. Red. en RSV 2006/114. Zie voorts EHRM 15 september 2009, EHRC 2009/ 120 m.nt. Pennings, NJB 2010, 70, RvdW 2010/177 en RSV 2010/70 (Moskal t. Polen).
Leijten constateert dat het af en toe lijkt alsof het Hof terug wil komen op deze jurisprudentie door de vraag of sprake is van eigendom te passeren en direct te constateren dat geen sprake is van een schending, dan wel door de staat een ruime margin of appreciation te laten. Zie Leijten in EHRC 2014/16 (annotatie bij EHRM 24 oktober 2013). Zie voorts Leijten 2013.
CRvB 5 maart 2009, PJ 2009/123 en CRvB 9 november 2012, USZ 2012/359.
Vgl. CRvB 26 januari 2010, JWWB 2010/71, RSV 2010/74 en USZ 2010/80 en CRvB 14 maart 2011, AB 2011/242 m.nt. Bröring, JWWB 2011/98, JB 2011/110, USZ 2011/ 99 m.nt. Balkema en RSV 2011/186 m.nt. Bruggeman.
CRvB 16 augustus 2000, JB 2000/310 m.nt. AHW, AB 2001/103 en USZ 2000/253.
CRvB 3 mei 2013, JB 2013/138 en USZ 2013/186.
Art. 1 EP vindt toepassing in het socialezekerheidsrecht. In 2005 werd dienaangaandeeen belangrijke ontvankelijkheidsbeslissing genomen inzake het geschil tussen Stec e.a. en het Verenigd Koninkrijk. Wat betreft de toepasselijkheid van art. 1 EP in het socialezekerheidsrecht overweegt het EHRM:
‘In conclusion, therefore, if any distinction can still be said to exist in the caselaw between contributory and non-contributory benefits for the purposes of the applicability of Article 1 of Protocol No. 1, there is no ground to justify the continued drawing of such a distinction’.1
Voor toepasselijkheid van art. 1 EP is dus volgens het EHRM niet van belang of voor een bepaalde uitkering of pensioen al dan niet premies zijn afgedragen.2 Dat maakt het toepassingsbereik erg ruim.
De CRvB heeft diverse malen getoetst aan art. 1 EP. Een eerste voorbeeld is de uitspraak inzake de invoering van de Wet beperking export uitkeringen (hierna: WBEU). Deze wet regelt onder meer het recht op ouderdomspensioen in gevallen waarin de pensioengerechtigde niet meer in Nederland woont. Het gevolg van deze wet was, dat ten aanzien van bepaalde, in het buitenland wonende AOW-gerechtigden, het recht op ouderdomspensioen werd beëindigd dan wel verlaagd. Bij invoering van deze wet was niet voorzien in overgangsrecht, hetgeen betekende dat ten aanzien van voornoemde personen het recht op ouderdomspensioen op het moment van inwerkingtreding van de WBEU werd beëindigd of verlaagd. Volgens de Raad was dit in strijd met art. 1 EP, omdat niet was voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Er werd immers op geen enkele wijze genoegdoening geboden. De Raad concludeerde dan ook dat art. 1 EP was geschonden.3
Over het algemeen wordt echter aangenomen dat de intrekking van een uitkering of pensioen niet in strijd is met art. 1 EP. Zowel de beëindiging van de bijstandsuitkering als een verlaging op grond van art. 18 lid 2 Pw worden in overeenstemming geoordeeld met de vereisten zoals die zijn gesteld in art. 1 EP.4 In het kader van een maatregel op grond van art. 27 lid 1 WW (inhoudende een blijvende weigering van een WW-uitkering) oordeelde de Raad dat geen sprake was van schending van deze verdragsbepaling. Daarbij werd onder meer gewezen op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op grond van art. 1 EP wordt gegund. Ook hier is de motivering van de Raad summier. Gesteld wordt dat niet blijkt van een onevenwichtige belangenafweging en strijd met het proportionaliteitsvereiste. De Raad verwijst hiervoor naar de parlementaire geschiedenis bij de Wet boeten, maatregelen en terugen invordering sociale zekerheid, waarin is gesteld dat verwijtbare werkloosheid dermate onaanvaardbaar is, dat een blijvende weigering op zijn plaats is.5 Tot slot valt nog te wijzen op de jurisprudentie inzake art. 8b AOW inzake de beëindiging van het ouderdomspensioen vanwege detentie. Ook ten aanzien hiervan concludeert de CRvB dat geen sprake is van strijd met art. 1 EP.6