Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/4.4
4.4 Rechtskarakter van het dwangakkoord in de voorgestane conceptuele vorm
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber (red.), Geschiedenis van de Faillissementswet. Heruitgave Geschiedenis van de wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, deel II, bewerkt door Mr. G.W. Baron van der Feltz, Haarlem 1896, W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 144-145; HR 18 mei 1990, NJ 1991/412; Wessels Insolventierecht VI 2012/6543, 2013, par. 6013 e.v., A.D.W. Soedira, Het akkoord, diss. Nijmegen, Kluwer, 2011, p. 43 e.v. Polak/Pannevis, Insolventierecht, 2014, par. 10.1. Zie voor een overzicht van de verschillende opvattingen over het rechtskarakter van een akkoord ook J.A. Vreeswijk, De surséance van betaling en het akkoord, Kluwer 1973, p. 19-20; A.L. Leuftink, Surséance van betaling, Kluwer 1995, p. 255-256.
Idem.
Zie in dit verband ook F.M.J. Verstijlen, Het insolventieakkoord, in: J.A. van de Hel, M.C.A. van den Nieuwenhuijzen, & J.H. Verdonschot (eds.), Het Voorontwerp Insolventiewet nader beschouwd, Ars Aequi, 2008, p. 130.
Zie ook Y. Ren, A Comparative Study of the Corporate Bankruptcy Reorganization Law of the US and China, diss. Groningen, Eleven International Publishing, 2012, p. 42: “The reorganization plan, which is about how to deal with the investors’ investment or property, is essentially a new investment agreement among these investors.”
Het beslismodel van een akkoordsysteem bepaalt in belangrijke mate ook het rechtskarakter ervan.
Het dwangakkoord in surseance en faillissement wordt naar huidig Nederlands recht gekarakteriseerd als een overeenkomst.1 De wetgever merkte ook de binding van tegenstemmers aan als binding uit overeenkomst op basis van de gedachte dat de gezamenlijke crediteuren als vereniging zijn te beschouwen en de “gemeenschap van belangen” deze wijze van behandeling rechtvaardigt.2
Wat het rechtskarakter van een akkoord in de thans besproken conceptuele vorm betreft, zou ik willen volstaan met enkele korte opmerkingen.
Voor zover het de binding aan het akkoord van partijen die vóór stemmen betreft, ligt de kwalificatie als overeenkomst voor de hand.
Waar het gaat om de binding aan het akkoord van een tegenstemmende minderheid binnen een bij meerderheid vóór stemmende klasse, ligt de kwalificatie als overeenkomst minder voor de hand maar valt deze met enige goede wil nog wel enigszins te verdedigen. De gedachte zou dan zijn dat op basis van de wilsinstemming van een meerderheid van partijen die gelijk geplaatst zijn een wil tot het aangaan van het akkoord bij de tegenstemmende minderheid in redelijkheid kan worden geacht te bestaan, of iets dergelijks. Het komt mij niettemin gekunsteld voor om een wil te construeren waar deze in werkelijkheid niet bestaat. Het lijkt mij zuiverder om aan te nemen dat binding van een tegenstemmende minderheid rechtstreeks uit de wet of uit het homologatievonnis voortvloeit.3
Waar het handelt om de binding aan het akkoord van crediteuren die bij meerderheid in een bepaalde klasse tegen hebben gestemd, valt met de beste wil van de wereld niet te verdedigen dat een wil tot het aangaan van het akkoord kan worden geacht te bestaan. Een meerderheid, en misschien wel iedereen binnen de klasse, is tégen. Deze negatieve beslissing van de democratische meerderheid zou de rechter in beginsel moeten respecteren. De rechter zou slechts bevoegd moeten zijn de beslissing van de meerderheid ter zijde te stellen en het akkoord aan een bij meerderheid tegenstemmende klasse op moeten kunnen leggen op basis van een beperkt aantal in de wet vervatte en nauw omschreven gronden. Indien de rechter het akkoord aan een tegenstemmende klasse oplegt, vloeit de binding van die tegenstemmende klasse voort uit het vonnis.
Voor zover de schuldenaar zelf degene is die het akkoord aanbiedt, of de schuldenaar instemt met een akkoord dat een ander voorstelt, is de verhouding onder het akkoord tussen de instemmende (klassen van) crediteuren enerzijds en de schuldenaar anderzijds als een overeenkomst aan te merken. Voor zover het een crediteur is die het akkoord voorstelt en de schuldenaar niet met het akkoord instemt, is het akkoord als een overeenkomst aan te merken in de verhouding tussen de instemmende (klassen van) crediteuren.4 De crediteuren maken dan in essentie onderling afspraken over de wijze waarop zij hun verhaalsrechten uitoefenen. Waar het akkoord een schuldenaar die niet met het akkoord instemt en/of tegenstemmende (klassen van) crediteuren bindt, vloeit de binding aan het akkoord niet uit wilsovereenstemming maar uit het (homologatie)vonnis voort.
Het dwangakkoord in de hier beschouwde conceptuele vorm heeft derhalve een gemengd karakter met zowel contractuele als gerechtelijke elementen. Waar alle klassen bij meerderheid vóór stemmen, overheerst het consensuele element. Waar de rechter het akkoord aan tegenstemmende klassen oplegt, is het gerechtelijke element dominanter aanwezig.