Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.2.1.2
III.14.2.1.2 Intrekking op grond van de AOW
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377668:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Van gewijzigde omstandigheden is bijvoorbeeld sprake wanneer een pensioengerechtigde een geregistreerd partnerschap aangaat (CRvB 19 maart 2004, USZ 2004/141) of indien geen sprake meer is van duurzaam gescheiden leven in de zin van art. 1 lid 3 onder b AOW (CRvB 19 maart 2004, USZ 2004/142).
Wordt de wijziging van de omstandigheden meer dan een jaar na de maand waarin de wijziging heeft plaatsgevonden gemeld bij de SVB, dan wordt het ouderdomspensioen met een terugwerkende kracht van een jaar verhoogd, behoudens bijzondere gevallen van hardheid. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1075. Van een bijzonder geval is sprake indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen dan wel indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen, uitkering of kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1071. Bij de beoordeling of sprake is van hardheid in voormelde zin wordt gekeken naar de inkomenspositie van betrokkene. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1072. De mate van terugwerkende kracht is afhankelijk van de omvang van het schadebedrag. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1073. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat een verhoging van het ouderdomspensioen ook op aanvraag kan worden toegekend. Zie hiervoor art. 14 lid 1 AOW.
Wanneer sprake is van een onjuist toekenningsbesluit, kan een verzoek tot herziening worden gedaan o.g.v. art. 4:6 Awb. De SVB acht zich gehouden terug te komen op een rechtens onaantastbaar besluit, indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht. Art. 17 lid 3 AOW ziet niet op die situatie. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1076.
Is sprake van een ten onrechte toegekend ouderdomspensioen dan wel een ouderdomspensioen toegekend tot een te hoog bedrag, dan vindt intrekking plaats met ingang van de dag waarop het ouderdomspensioen is ingegaan. Vgl. art. 17 lid 4 slot. In geval van een wijziging van het inkomen vindt herziening plaats met ingang van de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet, ongeacht of het een verhoging of verlaging betreft. In zeer uitzonderlijke situaties verzetten het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel zich tegen herziening of intrekking. In dat geval kan van herziening of intrekking worden afgezien, dan wel worden gekozen voor een afbouwregeling. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1077. Zie voor een voorbeeld van toepassing van dit beleid CRvB 10 november 2006, USZ 2007/7. I.c. slaagt het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet. Zie voor de situatie waarin een AOW-gerechtigde huwt of een gezamenlijke huishouding gaat voeren en mogelijk recht op een toeslag ontstaat SVB Beleidsregels AOW 2014 e.d., nr. SB1082.
Zie over de nadere invulling van deze bevoegdheid de Regeling nadere regels inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen.
Indien een van de in art. 17a lid 1 AOW genoemde situaties zich voordoet, is de SVB dus gehouden om tot herziening of intrekking over te gaan. Zie CRvB 27 januari 2009, PJ 2010/15. Een en ander behoudens dringende redenen (art. 17a lid 2 AOW).
Zie art. 15 lid 2 AOW en SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1098.
Zie voor de reikwijdte van deze mededelingsverplichting SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1245. Van schending van de mededelingsverplichting is geen sprake indien iemand er vanuit mag gaan dat bepaalde gegevens niet apart dienen te worden gemeld. Herziening of intrekking blijft dan wel mogelijk, zij het op grond van art. 17 AOW. Zie CRvB 15 november 2007, RSV 2008/58. Zie voorts Rechtbank Den Bosch 18 juli 2008, PJ 2010/7, waarin wordt overwogen dat de mededelingsplicht niet is geschonden nu het eiseres niet redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat bepaalde informatie relevant zou kunnen zijn. Zaken die op grond van art. 49 AOW meegedeeld dienen te worden zijn bijvoorbeeld echtscheiding (CRvB 18 oktober 1989, AB 1990/146) of het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding (CRvB 27 januari 2009, PJ 2010/15).
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin de SVB een fout heeft gemaakt.
Zie hierover SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1100. Hoewel op grond van art. 17a lid 2 AOW in algemene zin geldt dat in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van intrekking of herziening kan worden afgezien, zal dit bij deze grond zelden of nooit plaatsvinden, nu het gaat om gevallen waarin ernstige twijfel bestaan ten aanzien van het recht op (een deel van de) uitkering. Vgl. SVB Beleidsregels 2014 AOW e.d. 2014, nr. SB1080.
Zie bijvoorbeeld CRvB 9 augustus 2007, USZ 2007/287 waarin de aanzienlijke mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de SVB en het aanzienlijke bedrag van terugvordering leidde tot de conclusie dat herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk was.
Omstandigheden die in dat kader van belang zijn, zijn de verwijtbaarheid van de belanghebbende, de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin volledig terugwerkende kracht met een daarop volgende terugvordering geacht moet worden onevenredig in te grijpen in het dagelijks leven van de belanghebbende. Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1078.
De maatregel wordt geëffectueerd door het bedrag van de maatregel in mindering te brengen op de eerstvolgende termijn(en). Zie SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, n. SB1102.
Art. 15 lid 2 en 3 AOW.
Vgl. art. 5 lid 2 Wet SUWI. Deze bepaling luidt: ‘Een ieder verstrekt op verzoek onverwijld aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen (BdK: de Sociale Verzekeringsbank) inzage in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wettelijke taken door de betrokken rechtspersoon.’
Een maatrege kan worden opgelegd indien de pensioengerechtigde deze voorschriften niet naleeft, maar ook indien zijn echtgenoot of wettelijk vertegenwoordiger deze voorschriften niet naleeft. Vgl. art. 17b lid 1 AOW.
Art. 17b lid 6 AOW.
Wanneer reeds een waarschuwing is gegeven maar binnen twee jaar na deze waarschuwing art. 49 AOW weer wordt geschonden, geldt deze uitzondering niet. Zie art. 17b lid 3 AOW.
Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1093.
Intrekking vanwege veranderde omstandigheden
De bepalingen inzake de intrekking van het ouderdomspensioen zijn neergelegd in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 AOW. Art. 17 lid 1 AOW bepaalt dat het ouderdomspensioen wordt ingetrokken of herzien indien degene aan wie het pensioen is toegekend hiervoor niet (meer) in aanmerking komt, dan wel die persoon voor een hoger of lager bedrag aan ouderdomspensioen in aanmerking komt.1
De artikelen 17 leden 3 en 5 t/m 7 AOW bepalen een en ander met betrekking tot het moment waarop de intrekking ingaat. Is sprake van veranderde omstandigheden welke leiden tot een hoger ouderdomspensioen, dan gaat de herziening in op de eerste dag van de maand waarin de verandering heeft plaatsgevonden (art. 17 lid 3 AOW).2, 3 Leiden de veranderde omstandigheden tot een recht op een lager ouderdomspensioen, dan gaat deze in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de begunstigde niet meer, dan wel voor een lager bedrag aan ouderdomspensioen in aanmerking komt (art. 17 lid 5 AOW).4 Is ten onrechte of tot een te hoog bedrag toegekend, dan vindt intrekking respectievelijk herziening plaats met ingang van de dag waarop het ouderdomspension is ingegaan (art. 17 lid 5 AOW). Er is aldus sprake van terugwerkende kracht. Vindt herziening van het ouderdomspensioen plaats in verband met een wijziging van het netto-minimumloon, dan gaat deze herziening in op de dag waarop het netto-minimumloon is herzien (art. 17 lid 6 AOW). Wordt het ouderdomspensioen tot slot op grond van art. 8b lid 2 AOW beëindigd wegens detentie van de pensioengerechtigde, dan wordt het ouderdomspensioen beëindigd met ingang van de eerste dag volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming een maand heeft geduurd (art. 17 lid 7 AOW).
Tot slot wordt gewezen op art. 17 lid 4 AOW. Op grond van deze bepaling kan het ouderdomspensioen worden herzien indien de pensioengerechtigde niet kan aantonen dat hij ongehuwd is, dan wel dat zijn feitelijke woonsituatie in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres. In beide gevallen kan het ouderdomspensioen worden verlaagd.5
Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend ouderdomspensioen
Op grond van art. 17a AOW wordt6 het ouderdomspensioen herzien of ingetrokken in gevallen waarin het pensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Dit is in de eerste plaats het geval wanneer niet is voldaan aan controlevoorschriften,7 dan wel aan de mededelingsverplichting van art. 49 AOW8 (art. 17a lid 1 onder a AOW). Indien het ouderdomspensioen anderszins (dus vanwege andere omstandigheden dan die genoemd onder sub a)9 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, vindt eveneens intrekking of herziening plaats (art. 17a lid 1 onder b AOW). Tot slot vindt herziening of intrekking plaats indien het niet nakomen van de in sub a genoemde verplichtingen ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat (art. 17a lid 1 onder c AOW).10
Van herziening of intrekking kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien in geval van dringende redenen (art. 17a lid 2 AOW). Deze bevoegdheid wordt in belangrijke mate genormeerd door het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Nadere uitwerking heeft plaatsgevonden in de beleidsregels van de SVB. Op grond van deze beleidsregels geldt dat herziening zonder terugwerkende kracht plaatsvindt wanneer de pensioengerechtigde al zijn verplichtingen op grond van de AOW is nagekomen en niet heeft kunnen begrijpen dat het pensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend.11 Had de pensioengerechtigde de fout kunnen onderkennen, dan vindt herziening met volledige terugwerkende kracht plaats. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden.12
Maatregel
Art. 17b lid 1 AOW bepaalt dat een maatregel, inhoudende gehele of gedeeltelijke en tijdelijke of blijvende weigering van het ouderdomspensioen,13 wordt opgelegd indien:
voorschriften niet worden opgevolgd of anderszins onvoldoende medewerking wordt verleend, dan wel indien sprake is van het zich zeer ernstig misdragen jegens de met uitvoering van de AOW belaste personen en instanties14
niet wordt voldaan aan een verzoek tot het overleggen van een identificatiedocument15
niet binnen een daartoe gestelde termijn wordt voldaan aan de mededelingsverplichting van art. 49 AOW.16
De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (art. 17b lid 2 AOW). Nadere bepalingen over de hoogte en duur van de maatregel zijn neergelegd in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.17 Onder omstandigheden kan op grond van art. 17b lid 3 AOW worden afgezien van het opleggen van een maatregel en kan worden volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Dit is het geval wanneer het niet tijdig nakomen van art. 49 AOW niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van het ouderdomspensioen.18 Ook ingeval van dringende redenen, kan van het opleggen van een maatregel worden afgezien (art. 17b lid 4 AOW). Een maatregel wordt op grond van art. 17b lid 5 AOW niet opgelegd, indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Overige relevante bepalingen
Tot slot wordt nog gewezen op het volgende. Op grond van art. 8b lid 2 respectievelijk 8c lid 2 AOW eindigt het recht op ouderdomspensioen indien de pensioengerechtigde rechtens zijn vrijheid is ontnomen respectievelijk indien de pensioengerechtigde, nadat het recht op ouderdomspensioen is ingegaan, zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Voorts kan de betaling van het ouderdomspensioen worden opgeschort indien degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijft19 (art. 19a lid 1 AOW) dan wel indien het opgegeven adres afwijkt van het GBA-adres (art. 19b lid 1 AOW). Tot slot bestaat op grond van art. 19 lid 5 AOW de mogelijkheid van schorsing van de betaling van het ouderdomspensioen, ingeval van, kort gezegd, twijfel aan de rechtmatigheid van de betaling. Wanneer de pensioengerechtigde niet kan aantonen dat het recht op uitkering onverminderd is blijven bestaan, dan gaat de SVB over tot herziening of intrekking van het ouderdomspensioen.20