Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.4.2
7.4.2 Engels recht
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS373227:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
[1998] 1 WLR 896; Mannai Investments Co Ltd v Eagle Star Life Insurance Co Ltd [1997] AC 749. Zie ook Smith v Hughes (1871) LR 6 QB 597; The Hannah Blumenthal [1983] 1 AC 854; Lewison 2011, par. 2.03; Treitel 2011, par. 1-002.
BCCI SA v Ali [2002] 1 AC 251 at 269, door Lord Hoffmann.
Zie ook Monypenny v Monypenny (1861) 11 ER 671 at 684, door Lord Wensleydale.
Cartwright 2012, par. 13-07; zie Investors Compensation Scheme Ltd v West BromwichBuilding Society [1998] 1 WLR 896; Mannai Investments Co Ltd v Eagle Star LifeInsurance Co Ltd [1997] AC 749 voor nadere invulling van deze norm.
Centrovincial Estates PLC v Merchant Investors Assurance Co Ltd [1983] CLR 158; Freeman v Cooke (1848) 154 ER 642; McMeel 2011, par. 3-05; Cartwright 2012, par. 13-05 en 13-34.
Perrin v Morgan [1943] AC 399; Barlow 2008, par. 50.1.
Dit was in de 18e en 19e eeuw anders, toen was grammaticale uitleg de norm. Zie hierover R. Kerridge, ‘Testamentary freedom in England and Wales’, in: Anderson en Arroyo I Amayuelas 2011, p. 137-138.
Earl of Scarborough v Doe (1836) 3 Ad & El 897, p. 963; Perrin v Morgan [1943] AC 399; Barlow 2008, par. 1.1; Kerridge 2000, p. 41.
Perrin v Morgan [1943] AC 399; Broom 1937, p. 13; Kerridge 2000, p. 41.
Perrin v Morgan [1943] AC 399, p. 421.
Broom 1937, p. 13.
Parker v Tootal (1865) 11 ER 1286.
Re Harrison (1885) 30 Ch D 390, p. 393-394.
Barlow 2008, par. 51.7.
Lewison 2011, par. 1.05.
Administration of Justice Act 1982, art. 21 lid 1 en 2.
Elphinstone, Norton and Clark (n 225) 6.
Margrave-Jones 1993, p. 27.
Margrave-Jones 1993, p. 28.
R. Kerridge, ‘Testamentary freedom in England and Wales’, in: Anderson en Arroyo I Amayuelas 2011, p. 144.
331. In hoofdstuk 4 ben ik al uitgebreid ingegaan op de figuur van de will in het Engelse recht. Net als naar Nederlands recht is het testament een wilsverklaring waarmee eenzijdig beoogd rechtsgevolg in het leven wordt geroepen (namelijk de verdeling van iemands vermogen na zijn dood) en daarmee een equivalent van de Nederlandsrechtelijke eenzijdige rechtshandeling. Het opstellen van een testament kan ook naar Engels recht worden gezien als een eenzijdige handeling van de erflater, die werking verkrijgt na diens dood. Het rechtsgevolg van het testament is dat de executor de vermogensbestanddelen van de erflater verkrijgt, zij het dat de nalatenschap afgescheiden blijft van zijn eigen vermogen. Voor hem ontstaat de verbintenis jegens de erfgenamen en legatarissen om de nalatenschap behoorlijk af te wikkelen en de vermogensbestanddelen te verdelen volgens de bepalingen in de will. Erfgenamen en legatarissen hoeven hun rechten niet te aanvaarden.
332. Hoe verhoudt de will zich tot andere privaatrechtelijke ‘eenzijdige rechtshandelingen’ in het Engelse recht? Zoals aan de orde kwam in hoofdstuk 4, heeft het testament een aantal specifieke eigenschappen, maar vertoont zij sterke verwantschap met andere figuren uit de categorie van voluntary property transactions, waarmee eenzijdig en zonder tegenprestatie vermogensbestanddelen worden overgedragen. Het testament is dus ingebed in het Engelse privaatrecht, met name in het goederenrecht. Naast de will behoren tot de categorie van voluntary property transactions ook de deed,trust,assignment en gift. Deze figuren kunnen samenvallen. In een testament kan bijvoorbeeld een trust worden gevestigd. De verwantschap tussen de verschillende figuren blijkt uit het feit dat in grote lijnen dezelfde regels van toepassing zijn, zoals onherroepelijkheid en de regels ten aanzien van totstandkoming en vormvoorschriften.
333. Het testament kent naar Engels recht op een paar punten een specifieke regeling, zoals waar het gaat om uitleg. Alle documenten, zowel contracten als eenzijdige verklaringen, moeten objectief worden uitgelegd volgens Lord Hoffmanns vuistregels uit Investors Compensation Scheme Ltdv West Bromwich Building Society.1 Deze norm komt er kort gezegd op neer dat aan een document de betekenis wordt toegekend zoals die zou worden opgevat door een redelijk persoon met alle achtergrondkennis die partijen redelijkerwijs ter beschikking zou hebben gestaan op het moment van contractssluiting, waarbij de relevante achtergrond niet alleen bestaat uit de feiten, maar ook uit andere factoren zoals bewezen door partijen gedeelde aannames.2 Buiten het document liggende verklaringen mogen niet worden meegenomen bij de uitleg.3 Bij gerichte wilsverklaringen is het perspectief van de geadresseerde van belang.4 Voor schriftelijke documenten wordt een redelijke buitenstaander tot uitgangspunt genomen, die beschikt over alle relevante achtergrondinformatie.5 In beginsel geldt deze norm ook voor de uitleg van testamenten.6 Er wordt echter meer nadruk gelegd op de (subjectieve) bedoeling van de erflater,7 waarbij het overigens nog steeds draait om de verklaarde en niet de interne wil.8 De rechtvaardiging voor die afwijkende norm is de aard van de uiterste wilsbeschikking als instrument voor het honoreren van de laatste wens van de overledene.9
Na het vaststellen van de objectieve betekenis van de bewoordingen moet de rechter (op basis van het gehele testament, gelezen in het licht van de omstandigheden) nagaan of de erflater de gebruikte woorden wel in hun objectief vaststaande betekenis heeft willen gebruiken, dan wel op een andere manier.10 Uiteindelijk is de bedoeling van de erflater de ‘polar star’ waardoor de rechter zich moet laten leiden.11 De rechter moet hierbij een aantal specifieke uitgangspunten hanteren. Ten eerste geldt dat ‘effect has to be given to every word’.12 Daarnaast hanteren rechters een aantal vermoedens, zoals the presumption against intestacy (inhoudende dat bij twijfel het testament zo wordt uitgelegd dat het uitgevoerd kan worden) 13 en the presumption of rationality. Ook zal de will worden uitgelegd in het voordeel van bloedverwanten en schuldeisers van de erflater.14 Een rechter mag, anders dan voor uitleg van andere wilsverklaringen,15 buiten de will liggende bewijsstukken meenemen in zijn afweging, als de uiterste wilsbeschikking anders betekenisloos zou zijn of als de gebruikte bewoordingen onduidelijk zijn.16
In de vergelijking van de uitlegmaatstaven voor uiterste wilsbeschikkingen in het Nederlandse, Duitse en Engels recht, valt het volgende op. Waar in het Nederlandse recht een objectievere norm wordt gebruikt dan de ‘standaard’ Haviltex-norm, kiezen zowel Duits als Engels recht voor een subjectievere benadering dan bij andere wilsverklaringen. Als reden wordt gegeven dat de aard van de rechtsfiguur, de ‘laatste wens’, meebrengt dat de subjectieve intentie moet prevaleren. Minder belang hoeft te worden toegekend aan het vertrouwen dat anderen in het document hebben gesteld. Hierbij speelt mee dat het belang van het handelsverkeer, dat gediend is bij objectieve uitleg, nauwelijks in het geding is bij uiterste wilsbeschikkingen. Opvallend is dat voor het Engelse recht wordt aangevoerd dat de nadruk op de subjectieve intentie gerechtvaardigd is omdat ervan uit mag worden gegaan dat een erflater geen juridische bijstand heeft gehad.17 Voor Nederlands recht worden daarentegen de verplichte bijstand van de notaris en de voor uiterste wilsbeschikkingen geldende vormvoorschriften gezien als redenen voor objectieve uitleg.
334. Net als het Duitse recht, en anders dan het Nederlandse, kent het Engelse recht twee figuren die het midden houden tussen een overeenkomst en een uiterste wilsbeschikking, namelijk de joint will en de mutualwill. Een jointwill is één document waarin twee of meer erflaters hun testamentaire wensen opnemen. Dit document geldt niet als één uiterste wil, maar als de zelfstandige uiterste wil van beide (of alle) erflaters.18 Iedere erflater kan de uiterste wilsbeschikking eenzijdig herroepen zonder instemming van de andere partij. Een Nederlandsrechtelijk equivalent van de joint will (een akte waarin de uiterste wilsbeschikking van meer dan één persoon is opgenomen) is in art. 4:93 BW verboden. Een mutualwill is een uiterste wilsbeschikking gemaakt door twee personen, doorgaans in min of meer gelijke bewoordingen, waarin de erflaters elkaar wederkerige rechten toekennen. Een mutualwill is gestoeld op een overeenkomst daartoe, waaruit ook volgt dat zij de will niet zullen herroepen zonder instemming van de ander.19 Na de dood van één van de erflaters, is de ander gebonden aan de in de will neergelegde verdeling.20 Bij een mutual will is dus sprake van een duidelijk meerzijdige en zelfs wederkerige grondslag voor de toekenning van rechten. Toch is het document dat uiteindelijk de neerslag vormt van die overeenkomst, een eenzijdige rechtshandeling, nu het een op zichzelfstaande uiterste wilsbeschikking is. Het rechtsgevolg, namelijk de erfopvolging, treedt in als gevolg van die uiterste wilsbeschikking.