Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/164
164 Art. 3:84 lid 2 BW
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 22-08-2025
- Datum
22-08-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD23358:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Snijders 1998.
Hartkamp 2005, nr. 92a.
In die zin Brahn/Reehuis 1997, nr. 40, Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 214, Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 117, Reehuis 2004, nr. 8. en Struycken 2007, p. 790.
Aldus Kortmann 1996 in nr. 2 van zijn annotatie in AA van het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. en Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 316.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1123 en 1248, laatste alinea.
HR 20 september 2002, JOR 2002/211 m.nt. NEDF, NJ 2004, 182 m.nt. WMK.
Van het bepaaldheidsvereiste in art. 3:84 lid 2 BW is onduidelijk of dit mede betrekking heeft op bepaaldheid bij een goederenrechtelijke rechtshandeling of uitsluitend ziet op obligatoire bepaalbaarheid, nu de bepaaldheid in deze bepaling expliciet aan de titel gekoppeld wordt. H.J. Snijders stelde in 1998 dat het bepaaldheidsvereiste in art. 3:84 lid 2 BW uitsluitend betrekking heeft op de titel in de zin van de tot de overdracht strekkende overeenkomst. Het titelbegrip van lid 2 van art. 3:84 BW zou dezelfde betekenis hebben als dit begrip in de leden 1 en 3 van dat artikel heeft.1 Ook Hartkamp betrekt het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW uitsluitend op de titel.2 Diverse andere auteurs betrekken het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW mede op goederenrechtelijke rechtshandelingen.3
Het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. lijkt erop te duiden dat deze bepaling ook naar de opvatting van de Hoge Raad uitsluitend ziet op de bepaalbaarheid in de titel.4 In de wetsgeschiedenis wordt art. 3:84 lid 2 BW echter ook aan leverings- en vestigingshandelingen gekoppeld.5 In het na het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. gewezen arrest Mulder q.q./Rabobank6 heeft de Hoge Raad het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW voor wat betreft de vestiging van een pandrecht op vorderingen uitdrukkelijk aan de vestigingshandeling gekoppeld.7 Ik concludeer dat art. 3:84 lid 2 BW mede ziet op goederenrechtelijke rechtshandelingen zoals de vestiging van een pandrecht.