Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:303 BW:Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:303 BW
Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 14-11-2025
Actueel t/m
14-11-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:303 BW
Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Als de rechter van oordeel is dat een voldoende belang bij de rechtsvordering ontbreekt, leidt dat tot niet-ontvankelijkheid van de eiser in diens vordering.1 In dit vereiste van voldoende belang ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging.2
Deze regel is in het Burgerlijk Wetboek en niet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen. Toch is pleitbaar dat dit in wezen een procesrechtelijke regel is, aangezien het niet de materieelrechtelijke beoordeling van het vorderingsrecht zelf betreft,3 maar louter de vraag of er voldoende belang bestaat om de rechtsvordering in te stellen. Met andere woorden: het gaat er bij de toepassing van art. 3:303 BW niet om of het door eiser gepretendeerde vorderingsrecht bestaat, maar of eiser een voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde rechtsvordering.
Verondersteld belang
In beginsel mag worden verondersteld dat voldoende belang bestaat bij een rechtsvordering.4 Volgens de wetsgeschiedenis zal de eiser slechts bij uitzondering moeten bewijzen dat hij voldoende belang heeft bij zijn vordering.5 Als voorbeeld van zo’n uitzondering wordt in de toelichting een rechtsvordering tot een verklaring voor recht genoemd (zie daarover verder het commentaar op art. 3:302 BW). Van Nispen noemt in dit verband als voorbeeld een verbodsactie ingeval nog geen onrechtmatige daad is gepleegd; dan mag worden verlangd dat eiser feiten stelt en zo nodig aannemelijk maakt waaruit blijkt dat van zijn wederpartij een onbetamelijk handelen te duchten valt.6
Niet al te snel mag worden aangenomen dat ‘voldoende belang’ ontbreekt, omdat een niet-ontvankelijkheidsoordeel meebrengt dat de eiser zijn vordering op dat moment niet door de rechter kan laten beoordelen.7
Ambtshalve beoordeling
De regel van art. 3:303 BW moet de rechter soms wel en soms niet ambtshalve toetsen. Heemskerk maakt in dit verband onderscheid tussen een vordering tot het wijzen van een zuiver declaratoir vonnis, waarvoor positief van een belang van eiser daarbij moet blijken, en een vordering waarin niet een declaratoir maar een veroordeling wordt gevraagd, in welk geval het belang in negatieve zin functioneert: het belang wordt verondersteld aanwezig te zijn, tenzij mocht blijken dat het ontbreekt.8 In het eerste geval zou er wel sprake zijn van een ambtshalve taak van de rechter; een vordering welke uitsluitend strekt om bij gewijsde het bestaan van een rechtsverhouding te doen vaststellen, is slechts toelaatbaar, indien de eiser er belang bij heeft en de rechter moet daar ambtshalve op letten.9 Ook waar voor het indienen van een rechtsvordering van een bijzonder belang daarbij moet blijken, geldt dat de rechter dat ambtshalve moet beoordelen. In het tweede geval mag de rechter de vordering niet afwijzen op grond van gemis aan voldoende belang zolang het bestaan van dat belang niet is betwist. Dat wil overigens, ook volgens Heemskerk, niet zeggen dat waar het belang negatief functioneert, de rechter nooit ambtshalve een taak heeft. Dat heeft hij bijvoorbeeld wel als hem blijkt dat bij een rechtsmiddel (wat dus weer iets anders is dan een rechtsvordering) een belang ontbreekt; gevallen waarin de gevraagde uitspraak geen nuttig effect voor die partij zou opleveren zodat de behandeling van het rechtsmiddel zinledig is. Het behoort niet tot de taak van de rechter nutteloze uitspraken te doen.10 Dan raakt het de openbare orde en waar het ontbreken van een belang van een procespartij de openbare orde raakt, kan en moet de rechter ambtshalve optreden.11
Als de rechter ambtshalve opheldering wenst over het belang, rusten de stelplicht en bewijslast van het belang bij de rechtsvordering in beginsel op degene die de vordering instelt.12 Met het oog op de beoordeling van de evenredigheid van het belang van de eiser ten opzichte van dat van de wederpartij (zie hiervoor onder Belangvereiste), kan die wederpartij bij haar betwisting feiten aandragen die van haar zijde van belang zijn voor die beoordeling. Van die feiten heeft zij evenwel niet de bewijslast. Zij kan die feiten eventueel wel in het kader van het leveren van tegenbewijs aannemelijk maken.
Betwisting van het belang
Het betoog van de wederpartij dat voldoende belang bij de rechtsvordering ontbreekt, kan worden aangemerkt als een betwisting, maar dan niet – zoals bij de toepassing van art. 149 en 150 Rv normaal gesproken beoordeeld wordt – als een betwisting van het bestaan van het door eiser gestelde vorderingsrecht (of beter gezegd: van feiten die tot het bestaan van een dergelijk vorderingsrecht zouden leiden), maar van het voor toewijzing van de rechtsvordering vereiste belang.
Als het bestaan van (voldoende) belang voldoende gemotiveerd wordt bestreden, rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan van het belang in beginsel op degene die de vordering instelt.13 Het is aan de eiser om de feiten te stellen waaruit een voldoende belang blijkt en om die feiten, bij voldoende betwisting door de gedaagde, ook te bewijzen. Mede gelet op het hiervoor besproken ‘veronderstelde belang’, zal de eiser vaak niet hebben geanticipeerd (en ook niet hebben hoeven te anticiperen) op een betwisting van het bestaan van voldoende belang bij zijn rechtsvordering. Het ligt voor de hand dat als de wederpartij het bestaan van voldoende belang betwist, de eiser eerst in de gelegenheid wordt gesteld om het belang bij de rechtsvordering (nader) te onderbouwen.14
Met het oog op de beoordeling van de evenredigheid van het belang van de eiser ten opzichte van dat van de wederpartij (zie hiervoor onder Belangvereiste), kan die wederpartij bij haar betwisting feiten aandragen die van haar zijde van belang zijn voor die beoordeling. Van die feiten heeft zij evenwel niet de bewijslast. Zij kan die feiten eventueel wel in het kader van het leveren van tegenbewijs aannemelijk maken.
Stolker, T&C BW, art. 3:303 BW, aant. 1; Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 6. Dat is anders als bij een rechtsmiddel een belang ontbreekt, dat moet dan leiden tot een verwerping van het beroep (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/229).
Zie C.J.J.C. van Nispen, ‘Het rechterlijk verbod en bevel’, Amsterdam: deLex 2025, p. 167; in deze zin ook Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 3: ‘Niet alleen is discussie mogelijk over de plaatsing van de bepaling in het BW, ook had het voorschrift mogelijk beter als ‘geen processueel belang, geen rechtsingang’ kunnen worden geformuleerd.’
In deze zin Stolker, T&C BW, art. 3:303 BW, aant. 1; zie ook A-G Hartlief in ECLI:NL:PHR:2025:970, randnummer 3.5. Zie voor voorbeelden van het ontbreken van voldoende belang Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 6.
Annotatie onder HR 24 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6416, NJ 1980/88. Volgens Vranken moet de rechter de keuze van partijen voor een verklaring voor recht op dezelfde wijze als andere vorderingen in beginsel accepteren; onvoldoende belang is het buitenbeentje of de uiterste buitengrens; zie diens annotatie onder HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:303 BW
Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 14-11-2025
14-11-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:303 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 303
Belangvereiste
Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Als de rechter van oordeel is dat een voldoende belang bij de rechtsvordering ontbreekt, leidt dat tot niet-ontvankelijkheid van de eiser in diens vordering.1 In dit vereiste van voldoende belang ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging.2
Deze regel is in het Burgerlijk Wetboek en niet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen. Toch is pleitbaar dat dit in wezen een procesrechtelijke regel is, aangezien het niet de materieelrechtelijke beoordeling van het vorderingsrecht zelf betreft,3 maar louter de vraag of er voldoende belang bestaat om de rechtsvordering in te stellen. Met andere woorden: het gaat er bij de toepassing van art. 3:303 BW niet om of het door eiser gepretendeerde vorderingsrecht bestaat, maar of eiser een voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde rechtsvordering.
Verondersteld belang
In beginsel mag worden verondersteld dat voldoende belang bestaat bij een rechtsvordering.4 Volgens de wetsgeschiedenis zal de eiser slechts bij uitzondering moeten bewijzen dat hij voldoende belang heeft bij zijn vordering.5 Als voorbeeld van zo’n uitzondering wordt in de toelichting een rechtsvordering tot een verklaring voor recht genoemd (zie daarover verder het commentaar op art. 3:302 BW). Van Nispen noemt in dit verband als voorbeeld een verbodsactie ingeval nog geen onrechtmatige daad is gepleegd; dan mag worden verlangd dat eiser feiten stelt en zo nodig aannemelijk maakt waaruit blijkt dat van zijn wederpartij een onbetamelijk handelen te duchten valt.6
Niet al te snel mag worden aangenomen dat ‘voldoende belang’ ontbreekt, omdat een niet-ontvankelijkheidsoordeel meebrengt dat de eiser zijn vordering op dat moment niet door de rechter kan laten beoordelen.7
Ambtshalve beoordeling
De regel van art. 3:303 BW moet de rechter soms wel en soms niet ambtshalve toetsen. Heemskerk maakt in dit verband onderscheid tussen een vordering tot het wijzen van een zuiver declaratoir vonnis, waarvoor positief van een belang van eiser daarbij moet blijken, en een vordering waarin niet een declaratoir maar een veroordeling wordt gevraagd, in welk geval het belang in negatieve zin functioneert: het belang wordt verondersteld aanwezig te zijn, tenzij mocht blijken dat het ontbreekt.8 In het eerste geval zou er wel sprake zijn van een ambtshalve taak van de rechter; een vordering welke uitsluitend strekt om bij gewijsde het bestaan van een rechtsverhouding te doen vaststellen, is slechts toelaatbaar, indien de eiser er belang bij heeft en de rechter moet daar ambtshalve op letten.9 Ook waar voor het indienen van een rechtsvordering van een bijzonder belang daarbij moet blijken, geldt dat de rechter dat ambtshalve moet beoordelen. In het tweede geval mag de rechter de vordering niet afwijzen op grond van gemis aan voldoende belang zolang het bestaan van dat belang niet is betwist. Dat wil overigens, ook volgens Heemskerk, niet zeggen dat waar het belang negatief functioneert, de rechter nooit ambtshalve een taak heeft. Dat heeft hij bijvoorbeeld wel als hem blijkt dat bij een rechtsmiddel (wat dus weer iets anders is dan een rechtsvordering) een belang ontbreekt; gevallen waarin de gevraagde uitspraak geen nuttig effect voor die partij zou opleveren zodat de behandeling van het rechtsmiddel zinledig is. Het behoort niet tot de taak van de rechter nutteloze uitspraken te doen.10 Dan raakt het de openbare orde en waar het ontbreken van een belang van een procespartij de openbare orde raakt, kan en moet de rechter ambtshalve optreden.11
Als de rechter ambtshalve opheldering wenst over het belang, rusten de stelplicht en bewijslast van het belang bij de rechtsvordering in beginsel op degene die de vordering instelt.12 Met het oog op de beoordeling van de evenredigheid van het belang van de eiser ten opzichte van dat van de wederpartij (zie hiervoor onder Belangvereiste), kan die wederpartij bij haar betwisting feiten aandragen die van haar zijde van belang zijn voor die beoordeling. Van die feiten heeft zij evenwel niet de bewijslast. Zij kan die feiten eventueel wel in het kader van het leveren van tegenbewijs aannemelijk maken.
Betwisting van het belang
Het betoog van de wederpartij dat voldoende belang bij de rechtsvordering ontbreekt, kan worden aangemerkt als een betwisting, maar dan niet – zoals bij de toepassing van art. 149 en 150 Rv normaal gesproken beoordeeld wordt – als een betwisting van het bestaan van het door eiser gestelde vorderingsrecht (of beter gezegd: van feiten die tot het bestaan van een dergelijk vorderingsrecht zouden leiden), maar van het voor toewijzing van de rechtsvordering vereiste belang.
Als het bestaan van (voldoende) belang voldoende gemotiveerd wordt bestreden, rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan van het belang in beginsel op degene die de vordering instelt.13 Het is aan de eiser om de feiten te stellen waaruit een voldoende belang blijkt en om die feiten, bij voldoende betwisting door de gedaagde, ook te bewijzen. Mede gelet op het hiervoor besproken ‘veronderstelde belang’, zal de eiser vaak niet hebben geanticipeerd (en ook niet hebben hoeven te anticiperen) op een betwisting van het bestaan van voldoende belang bij zijn rechtsvordering. Het ligt voor de hand dat als de wederpartij het bestaan van voldoende belang betwist, de eiser eerst in de gelegenheid wordt gesteld om het belang bij de rechtsvordering (nader) te onderbouwen.14
Met het oog op de beoordeling van de evenredigheid van het belang van de eiser ten opzichte van dat van de wederpartij (zie hiervoor onder Belangvereiste), kan die wederpartij bij haar betwisting feiten aandragen die van haar zijde van belang zijn voor die beoordeling. Van die feiten heeft zij evenwel niet de bewijslast. Zij kan die feiten eventueel wel in het kader van het leveren van tegenbewijs aannemelijk maken.
Voetnoten
1.
Stolker, T&C BW, art. 3:303 BW, aant. 1; Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 6. Dat is anders als bij een rechtsmiddel een belang ontbreekt, dat moet dan leiden tot een verwerping van het beroep (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/229).
2.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019, 590 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 4.1.2.
3.
Zie C.J.J.C. van Nispen, ‘Het rechterlijk verbod en bevel’, Amsterdam: deLex 2025, p. 167; in deze zin ook Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 3: ‘Niet alleen is discussie mogelijk over de plaatsing van de bepaling in het BW, ook had het voorschrift mogelijk beter als ‘geen processueel belang, geen rechtsingang’ kunnen worden geformuleerd.’
4.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019, 590 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 4.1.2.
5.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915.
6.
C.J.J.C. van Nispen, ‘Het rechterlijk verbod en bevel’, Amsterdam: deLex 2025, p. 175, onder verwijzing naar HR 9 november 1973, NJ 1974/91.
7.
In deze zin Stolker, T&C BW, art. 3:303 BW, aant. 1; zie ook A-G Hartlief in ECLI:NL:PHR:2025:970, randnummer 3.5. Zie voor voorbeelden van het ontbreken van voldoende belang Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 6.
8.
Annotatie onder HR 24 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6416, NJ 1980/88. Volgens Vranken moet de rechter de keuze van partijen voor een verklaring voor recht op dezelfde wijze als andere vorderingen in beginsel accepteren; onvoldoende belang is het buitenbeentje of de uiterste buitengrens; zie diens annotatie onder HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77.
9.
Vgl. HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29 m.nt. Houwing.
10.
Zie ook Jongbloed, GS Vermogensrecht, aant. 7 bij art. 3:303 BW.
11.
In deze zin ook C.J.J.C. van Nispen, ‘Het rechterlijk verbod en bevel’, Amsterdam: deLex 2025, p. 168.
12.
TM en MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915 en 916; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/590 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 4.1.2.
13.
TM en MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915 en 916; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/590 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 4.1.2.
14.
Vgl. bijv. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1532, NJ 2013/502 m.nt. Hugenholtz, rov. 6.4.4.