Stelplicht & Bewijslast (Archief)
Einde inhoudsopgave
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:311 BW:Verjaring van de vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Einde inhoudsopgave
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:311 BW
Verjaring van de vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
04-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:311 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 311
Verjaring van de rechtsvordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking
Art. 3:311 BW regelt de verjaring van verschillende rechtsvorderingen met betrekking tot een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst: de vorderingen tot ontbinding en tot herstel (lid 1) en de na ontbinding van een overeenkomst ontstane vordering tot ongedaanmaking van reeds ontvangen prestaties (lid 2). Lid 1 bevat twee verjaringstermijnen; een korte termijn van vijf jaren en een lange termijn van twintig jaren. Lid 2 kent alleen de korte termijn van vijf jaren.
Voor zover de vorderingen voortvloeien uit (een tekortkoming in de nakoming van een) koopovereenkomst geldt een bijzondere regeling, met een kortere verjaringstermijn. Ingevolge art. 7:23 lid 2 BW verjaren de vorderingen en verweren van de koper wegens non-conformiteit, zoals de rechtsvorderingen tot ontbinding of herstel, twee jaren na de kennisgeving van het gebrek aan de koper. Zie daarover verder Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:23 BW.
Door verjaring van de rechtsvordering tot ontbinding vervalt ook de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding. Maar verjaring staat ingevolge art. 6:268 BW niet in de weg aan een bij wege van verweer gedane gerechtelijke of buitengerechtelijke ontbinding; in zoverre vervalt de ontbindingsbevoegdheid niet.
Een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer.1 Een geslaagd beroep op verjaring doet de rechtsvordering tenietgaan. Het recht zelf gaat niet teniet; er resteert dan nog een natuurlijke verbintenis. De schuldenaar die zich ter bevrijding van de rechtsvordering beroept op verjaring zal voldoende duidelijk moeten maken op welke verjaring hij doelt,2 en hij zal, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring.
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Aanvang verjaringstermijn bij de rechtsvorderingen tot ontbinding en tot herstel (lid 1)
De korte verjaringstermijn (vijf jaren) van rechtsvorderingen tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming begint te lopen na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden.3 Bij het begrip ‘bekendheid’ gaat het om subjectieve bekendheid aan de zijde van de schuldeiser.4 Het komt er op aan dat degene die zich op de verjaring — en dus op voltooiing van de verjaringstermijn — beroept, de feiten en omstandigheden stelt en zonodig bewijst waaruit volgt dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming.
De rechter zal ook bij een betwisting door de schuldeiser dat hij bekend was met de tekortkoming, die bekendheid reeds kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in dat geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen: behoudens door de schuldeiser te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming.5 Teneinde tot het leveren van tegenbewijs te worden toegelaten, dient de schuldeiser de desbetreffende stelling wel in voldoende mate te betwisten; een enkele ontkenning is daartoe onvoldoende.6 Indien de schuldeiser de bekendheid voldoende gemotiveerd heeft betwist, mag aan het aanbod tot tegenbewijs niet de eis worden gesteld dat het is gespecificeerd; een algemeen bewijsaanbod volstaat dan.
Omdat het lang kan duren voordat de schuldeiser de tekortkoming ontdekt en de termijn van vijf jaren begint te lopen, bepaalt het slot van lid 1 dat de rechtsvorderingen tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming in ieder geval verjaren na twintig jaren (de lange verjaringstermijn) nadat de tekortkoming is ontstaan. Voor deze verjaring is dus alleen het tijdstip waarop de tekortkoming zich heeft gerealiseerd, beslissend. De schuldenaar die zich op deze verjaring beroept, behoeft alleen te stellen, en eventueel te bewijzen, wanneer de tekortkoming is ontstaan.
Aanvang verjaringstermijn bij de ongedaanmakingsverbintenis (lid 2)
Een ontbinding bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (art. 6:271 BW). De daartoe strekkende rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de overeenkomst is ontbonden. Het is aan de partij die zich op verjaring van de rechtsvordering tot ongedaanmaking beroept, om de feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt wanneer de overeenkomst is ontbonden.
Lid 2 kent geen lange termijn omdat partijen over en weer van de ontbinding en de persoon van de wederpartij op de hoogte zullen zijn.
Voetnoten
1.
Zie over het bevrijdend of zelfstandig verweer: Lock/Valk, Stelplicht & Bewijslast 3 (Inleiding).
2.
HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943, NJ 1996/418 m.nt. Stein (Buyck/Van den Ameele).
3.
Een eensluidend standpunt van partijen over het aanvangsmoment van de verjaring heeft de rechter te respecteren, vergelijk HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:234, RvdW 2016/280.
4.
HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1208, NJ 2002/384 m.nt. Snijders, rov. 3.4.2.
5.
HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1208, NJ 2002/384 m.nt. Snijders, rov. 3.4.2.
6.
Zie o.a. HR 23 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0568, NJ 1991/166 m.nt. Kleijn, rov. 3.2; HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK4841, NJ 2005/269 m.nt. Asser, rov. 3.5.3; zie ook A-G Vlas in zijn conclusie voor HR 3 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:52.