Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.8.2.2.2:III.8.2.2.2 Evaluatie bevindingen Deel II
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.8.2.2.2
III.8.2.2.2 Evaluatie bevindingen Deel II
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495364:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
a. Verstrekken van financiering
Conform de strekking van de belasting behoort het verstrekken van financiering aan ondernemingen effectief onbelast te blijven. Het betreft immers geen overdracht van een goed of een dienst aan een eindverbruiker (consument). Ofschoon het verstrekken van financiering naar de huidige stand van het recht soms geen belastbaar feit is, soms een vrijgestelde dienst is en in weer andere gevallen (onderdeel van) een belaste prestatie is, kan in alle gevallen het eindresultaat van geen heffing intreden. Als het verstrekken van financiering geen prestatie onder bezwarende titel is of een vrijgestelde prestatie is, spreekt dit voor zich. Echter ook als het verstrekken van financiering (onderdeel van) een belaste prestatie is, kan de heffing effectief nihil zijn, namelijk als de ontvanger van de financiering de aan hem in rekening gebrachte belasting volledig kan aftrekken. Zolang dit resultaat maar optreedt, is de belastingheffing tussen de financier en de gefinancierde in overeenstemming met de strekking van de belasting. Dit neemt niet weg dat het bevreemding wekt dat dit resultaat langs verschillende wegen tot stand moet komen en dat (civiel-)juridische onderscheiden tussen de diverse financieringsinstrumenten een belangrijke rol spelen. Daarbij wordt vooral gedoeld op het onderscheid tussen eigen vermogen en vreemd vermogen.
De situatie verandert als de financiering ontvangende onderneming geen (volledig) recht op aftrek van voorbelasting heeft. Dit zou conform de strekking van de omzetbelasting ondenkbaar moeten zijn, maar komt voornamelijk vanwege de vrijstellingen in artikel 11 Wet OB 1968 toch geregeld voor. Als indachtig die omstandigheid de toetsing aan de strekking van de belasting nogmaals wordt uitgevoerd, ontstaat een iets ander beeld. Het ‘verbruik’ van goederen en diensten voor vrijgestelde prestaties dient conform deze uitwerking namelijk te worden belast. Dit betekent dat de vraag moet worden gesteld in hoeverre financiering een voor verbruik vatbare dienst is. Eerder is besproken dat een financiering naar mijn mening in het algemeen niet voor verbruik vatbaar is (zie nader par. 2.4.6.2 en 2.4.7.3). Financieringen leiden vooral tot verschuivingen van verbruik tussen personen en in de tijd, maar niet direct tot meer verbruik. Dat wordt, bijvoorbeeld, ondersteund door de omstandigheid dat rente bedrijfseconomisch gezien geen omzet is en evenmin een factor is bij het bepalen van het bruto binnenlands product (zie par. 2.4.4). Het is daarom in overeenstemming met de strekking van de belasting dat financieringen als zodanig vaak geen aanleiding geven omzetbelasting te heffen. Spanning met de strekking van de belasting kan daarentegen wel ontstaan bij financieringen die de facto belast zijn, al dan niet omdat ze worden geacht op te gaan in belaste prestaties.
Ofschoon het verstrekken van financiering als zodanig niet voor verbruik vatbaar is, kan moeilijk worden ontkend dat bijvoorbeeld banken waarde toevoegen die voor verbruik vatbaar is (zie par. 2.4.7.3). Dat doen banken, onder meer, door in economische zin als tussenpersoon op financiële markten op te treden. Verdedigbaar is dat de daaruit voortvloeiende toegevoegde waarde idealiter dient te worden belast voor zover die aan vrijgestelde prestaties ten goede komt. Vastgesteld kan worden dat dit onder het huidige recht niet gebeurt. Er vindt immers geen beoordeling plaats of eventuele toegevoegde waarde in vorenbedoelde zin bij een financier aanwezig is. Afgezien van de belaste incassodienstverlening die in bepaalde gevallen bij overnames van schuldvorderingen wordt onderkend, vindt geen heffing plaats die de toegevoegde waarde van financiers gericht belast.
b. Overdracht aandelen en obligaties
Het is naar mijn mening geheel in overeenstemming met de strekking van de omzetbelasting dat de overdracht van aandelen en obligaties niet tot heffing van omzetbelasting aanleiding geeft. Aandelen en obligaties zijn namelijk geen diensten die kunnen worden verbruikt (zie par. 2.4.6.3).