De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.14:2.4.14 Ongedaanmaking wettelijke verdeling van de nalatenschap
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.14
2.4.14 Ongedaanmaking wettelijke verdeling van de nalatenschap
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376763:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 1.
De wil van de kinderen doet niet ter zake; zie Van Mourik in Handboek Erfrecht 2011, p. 78.
Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 61 en 112.
Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 115.
W. Snijders 1999 II, p. 589.
W. Snijders 1999 II, p. 589; Groene Serie Erfrecht, art. 4:18 BW, aant. 2, M.R. Kremer; Asser/Perrick 4 2013/100, die schrijft dat de onmogelijkheid van verrichting onder voorwaarde of tijdsbepaling voortvloeit uit de wet.
Van Mourik in Handboek Erfrecht 2011, p. 79.
W. Snijders 1999 II, p. 589.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
76. De wettelijke verdeling is de manier waarop de wet de verdeling van een nalatenschap regelt indien de erflater een echtgenoot en één of meer kinderen nalaat en geen uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt.1 De langstlevende echtgenoot verkrijgt de gehele nalatenschap. De kinderen verkrijgen een in beginsel niet-opeisbare vordering op de langstlevende echtgenoot ter grootte van hun ab intestaat-erfporties.2Art. 4:18 BW bepaalt dat de langstlevende echtgenoot deze wettelijke verdeling ongedaan kan maken. Reden hiertoe kan zijn dat de langstlevende echtgenoot bepaalde bestanddelen van de nalatenschap, zoals een bedrijf of een huis, aan een bepaalde erfgenaam wil doen toekomen, zonder dat dit door de erflater is geregeld.
Ongedaanmaking van deze wettelijke verdeling wordt gekwalificeerd als een rechtshandeling.3 De rechtshandeling is eenzijdig, nu de rechtsgevolgen intreden als gevolg van de wilsverklaring van één partij, zijnde de langstlevende echtgenoot.4 Ongedaanmaking vindt op grond van art. 4:18 BW plaats door een verklaring bij notariële akte, die wordt ingeschreven in het boedelregister. De ongedaanmaking is een ongerichte eenzijdige rechtshandeling, nu de verklaring niet hoeft te zijn gericht tot de kinderen om rechtsgevolg te hebben.
77. Als gevolg van de ongedaanmaking ontstaat een onverdeelde gemeenschap tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen, waarin alle erfgenamen voor een evenredig deel gerechtigd zijn. In geval van een negatieve nalatenschap moeten alle deelgenoten een evenredig deel van de schulden op zich nemen.5 De ongedaanmaking kan dus verbintenissen scheppen. De langstlevende echtgenoot verliest het recht op vruchtgebruik van de woning en inboedel.6 De kinderen kunnen na ongedaanmaking de nalatenschap nog verwerpen of beneficiair aanvaarden.
De ongedaanmaking heeft op grond van art. 4:18 lid 2 BW terugwerkende kracht. De langstlevende blijkt achteraf dus beschikkingsonbevoegd ten aanzien van goederen uit de nalatenschap. Dit kan gevolgen hebben voor de geldigheid van een in de tussentijd verrichte overdracht.
Een regeling zoals is opgenomen in art. 4:190 lid 4 BW ten aanzien van aanvaarding of verwerping van de nalatenschap ontbreekt. Niet uitdrukkelijk is dus bepaald, of een ongedaanmakingsverklaring kan worden vernietigd wegens schuldeisersbenadeling of dwaling en of zij herroepelijk is. W. Snijders leidt uit het gebrek van een regeling hieromtrent af, dat vernietiging op grond van schuldeisersbenadeling en dwaling mogelijk is. Wat betreft herroepelijkheid redeneert hij echter niet a contrario en neemt hij aan dat de ongedaanmakingsverklaring onherroepelijk is.7
In de literatuur wordt aangenomen dat de aard van de ongedaanmaking eraan in de weg staat dat zij onder voorwaarde of tijdsbepaling verricht wordt.8
Van Mourik schrijft dat de redelijkheid en billijkheid de verhouding tussen bij de wettelijke verdeling betrokken erfgenamen mede bepalen.9 Volgens W. Snijders kan ongedaanmaking in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW.10 Dit is in overeenstemming met het feit dat op grond van de wettelijke verdeling de kinderen een (niet-opeisbare) vordering op hun ouder hebben. Langstlevende en kinderen zijn dus schuldenaar en schuldeiser.