KWEP 2021/9
Rechtsvragen rondom trusts, Privatstiftungen en de legitieme
Mr. H.M.C. Duin, datum 13-06-2021
- Datum
13-06-2021
- Auteur
Mr. H.M.C. Duin1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS271443:1
- Vakgebied(en)
Financiële planning / Estate planning
Voetnoten
Voetnoten
Mr. H.M.C. Duin is docent vermogensrecht en onderzoeker op het gebied van de trust en trustachtige rechtsfiguren bij de afdeling privaatrecht van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid VU. h.m.c.duin@vu.nl.
HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1589, NJ 2020/380 na conclusie A-G P. Vlas, ECLI:NL:PHR:2020:390.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7927 en Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1999.
De trust kent vele varianten. In deze bijdrage beperk ik mij tot irrevocable private express trusts.
Vgl. A. De La Rosa, ‘Succession and Forced Heirship Disputes’, in: S. Collins e.a. (eds.) International Trust Disputes, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 45 e.v., J. Goldsworth, Private Foundations: Law & Practice, Saffron Walden: Mulberry House Press 2011, p. 319 e.v., D. Hayton ‘Forced Heirship and the Trust’ in: D. Hayton (eds.) The International Trust, Bristol: Jordans 2011, p. 711 e.v. Zie over de rechtspositie van buitenlandse legitimarissen bij Liechtensteinse trusts: F.A. Schurr, ‘Wealth preservation by using trusts or private foundations in a civil law environment’, Trusts & Trustees, Vol. 25, No. 6, July 2019, p. 592-593.
Nederlandse familiestichtingen acht ik niet vergelijkbaar met Privatstiftungen of private foundations zoals die in het buitenland bestaan. J.B. Vegter, ‘Buitenlandse familiestichtingen en het Nederlandse uitkeringsverbod’, WPNR 7103 (2016), p. 289 wijst ook op het verschil tussen Nederlandse familiestichtingen en buitenlandse familiestichtingen. Vgl. Rapport commissie Moltmaker –Advies van de werkgroep Modernisering successiewetgeving, De warme, de koude en de dode hand. Rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving 13 maart 2000, par. 5.2.1. waarin op het gemis van een met het buitenland vergelijkbare regeling is gewezen.
Zie voor een overzicht bij stichtingen en trusts: A.E. de Leeuw, Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 188-189 (stichtingen), p. 189-190 (trusts). Zie ook H.M.C. Duin, ‘Civielrechtelijke kwalificatie van de inbreng van vermogen in een Privatstiftung’, WPNR 7324 (2021), p. 371-373.
Verstappen in: Handboek Erfrecht 2020, XVIII 2.2.2.
W. Loof, ‘Reactie op “Never trust a trust” van A.J. van Hoepen in WPNR (2014) 7008’, WPNR 7028 (2014), p. 722.
A. Hudson, Equity and Trusts, London and New York: Routledge 2017, p. 335.
Een recht op vergoeding voor werkzaamheden als trustee kan worden opgenomen in het trust instrument, G. Virgo, The Principles of Equity & Trusts, Oxford: Oxford University Press 2016, p. 425. Indien een dergelijke bepaling in het trust instrument ontbreekt, geeft section 29(1)(2) Trustee Act 2000 regels over een eventuele vergoeding.
Vgl. G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 316-326.
K.L.H. van Mens, ‘Trust en legitieme’, in: K.L.H. van Mens (red.), e.a., De Anglo-Amerikaanse trust, Deventer: Kluwer 1991, p. 14.
Vgl. A.J. van Hoepen, ‘Never trust a trust’, WPNR 7008 (2014), p. 200.
HR 18 november 1998, BNB 1999/35, HR 18 november 1998, BNB 1999/36 en HR 18 november 1998, BNB 1999/37, m.nt. Zwemmer.
Zo ook: E.R. Roelofs, De private express trust en de legitieme portie, Deventer: Kluwer 2011, p. 90. A.J. van Hoepen, a.w. noot 14, p. 200. A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 186.
Zo ook: A.J. van Hoepen, a.w. noot 14, p. 200.
Zo ook: K.L.H. van Mens, a.w. noot 13, p. 14-15 en A.J. van Hoepen, a.w. noot 14, p. 200-201.
Zie voor een meer gedetailleerde uiteenzetting: L. Tucker, e.a., Lewin on Trusts, London: Sweet & Maxwell 2015, p. 24-34.
D.J. Hayton, The law of trusts, 1998, p. 84.
L. Tucker, e.a., a.w. noot 19, p. 899-900.
G. Virgo, a.w. noot 11, p. 381, L. Tucker e.a., a.w. noot 19, p. 30-31.
W. Loof, a.w. noot 9, p. 722.
A.J. van Hoepen, a.w. noot 14, p. 202-202. W. Loof, a.w. noot 9, p. 724-725, A.J. van Hoepen, ‘Naschrift bij reactie W. Loof’, WPNR 7028 (2014), p. 726-728. De term verwachting wordt bij een Nederlands fideï-commis gebruikt als aanduiding voor de positie van de verkrijger onder opschortende voorwaarde. Waar in deze bijdrage over de verwachting wordt gesproken is echter de positie van een verwachter bij een trust of Privatstiftung bedoeld.
A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 192. Vgl. A.J. van Hoepen, a.w. noot 14, p. 202 en A.J. van Hoepen, a.w. noot 24, p. 728.
Zie de noten 27, 28, 29, 34 en 36.
A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 184.
P.F. Veltman, ‘De familiestichting; civiele en fiscale aspecten’, in: W. Burgerhart & P.F. Veltman, De familiestichting, Den Haag: Sdu Uitgevers 2004, p. 75, waar P.F. Veltman op dezelfde pagina aan toevoegt dat onder omstandigheden sprake kan zijn van een gift aan de stichting. Verrijking van de stichting wordt ook aangenomen door M.U.M.A. Waaijer-Linders, ‘Trust in de familiestichting’, WPNR 6848 (2010) , p. 518. A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 184-185 neemt geen verrijking aan bij de vermogensinbreng in een APV.
Vrijgevigheid wordt aangenomen door: M.U.M.A. Waaijer-Linders, a.w. noot 28, p. 518 en A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 184.
A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 183. Vgl. over de bevoordelingsbedoeling conclusie A-G M.H. Wissink, ECLI:NL:PHR:2019:1083, bij HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:262.
Onder soortgelijke stichtingen versta ik de culturele instelling (CI), de sociaal belang behartigende instelling (SBBI) en de steunstichting SBBI. Zie: S.A.M. de Wijkerslooth-Lhoëst ‘Doelvermogens met maatschappelijk nut’, in: Autar, Baard, Sonneveldt en Burgerhart (red.), Compendium Estate Planning, Den Haag: Sdu Uitgevers 2019, p. 263.
Vgl. inzake het eigen beleid van een Nederlandse stichting: Hof Amsterdam 24 maart 2020, nr. 200.250.845/01 KG (ECLI:NL:GHAMS:2020:930) Notamail 7 juli 2020 nr. 153.
Vgl. P.F. Veltman, a.w. noot 28, p. 74.
Vgl. over de stichting als ‘tussengeschoven lichaam’: W. Burgerhart, ‘Algemeen inventariserende/beschrijvende inleiding’, in: W. Burgerhart & P.F. Veltman, De familiestichting, Den Haag: Sdu Uitgevers 2004, p. 46. P.F. Veltman, a.w. noot 28, p. 74, benoemt m.i. terecht dat de inbrenger uiteindelijk niet de stichting wil bevoordelen, maar degene die een uitkering van de familiestichting kunnen ontvangen.
In de Duitstalige praktijk Wunschbrief genoemd. Vgl. HR 26-03-2021 ECLI:NL:HR:2021:367, r.o. 3.3.
Vrijgevigheid van de oprichter jegens de stichting wordt in algemene zin niet aangenomen door: K.L.H. van Mens, Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten van het schenkingsbegrip, Deventer: Kluwer 1985, p. 212-213. In de context van een familiestichting wordt vrijgevigheid niet aangenomen door: W. Burgerhart, a.w. noot 34, p. 46, wanneer de stichting verplicht is om de verkrijging door te geven aan een derde, die door de inbrenger wordt aangewezen. Zie ook: H.M.C. Duin, a.w. noot 7, p. 372, hetgeen in lijn is met wat in deze bijdrage is betoogd.
J. Goldsworth, a.w. noot 5, p. 172-174, voegt daar nog een vierde categorie van begunstigden aan toe. Namelijk, degenen die tot het vermogen van de private foundation zijn gerechtigd bij liquidatie van de private foundation.
D. Hayton, ‘Foundations and trusts contrasted’, Trusts & Trustees, Vol. 17, No. 6, July 2011, p. 467.
Vgl. J. Goldsworth, a.w. noot 5, p. 173.
Waaijer in: Handboek Erfrecht , 2020, X 1.1.
Vgl. K.L.H. van Mens, a.w. noot 13, p. 15.
A.E. de Leeuw, a.w. noot 7, p. 192, 199.
Pitlo/P.H.M. Gerver (e.a.), Het systeem van het Nederlandse Privaatrecht, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 32-33.
1. Inleiding
In 2020 wees de Hoge Raad arrest in een zaak waar een Liechtensteinse Privatstiftung onderdeel van uitmaakt.2 Een Nederlandse erflaatster heeft in 1994 een Privatstiftung doen oprichten. Vervolgens zijn miljoenen euro’s in deze entiteit ingebracht. In 2008 komt erflaatster te overlijden en laat drie kinderen achter. Twee van deze kinderen volgen haar op als erfgenamen, terwijl het derde kind is onterfd en een legaat ter grootte van zijn legitieme krijgt.3 Uit deze zaak zijn rechtsvragen rondom de legitieme te destilleren die van belang zijn voor de estateplanningspraktijk. In deze bijdrage komt aan bod of (i) overboekingen naar een Privatstiftung giften zijn in de zin van art. 4:67 BW, en (ii) de waarde van rechten van begunstigden moet worden meegeteld bij de berekening van de legitimaire massa (art. 4:65 BW).
In de praktijk kunnen deze vragen niet alleen rijzen in de context van een Privatstiftung, maar ook bij trusts. 4Trust en Privatstiftung zijn verschillend van aard, omdat de trust een vermogensrechtelijke rechtsfiguur is, terwijl de Privatstiftung daarentegen rechtspersoonlijkheid heeft. Desalniettemin kunnen trust en Privatstiftung in de praktijk worden ingezet voor vergelijkbare planningsredenen. Een van die redenen is het pogen om de rechtspositie van de legitimaris uit te hollen.5
Doordat het Nederlandse recht trust noch Privatstiftung6kent, heeft de Nederlandse wet lacunes op het gebied van de genoemde vragen. In deze bijdrage zet ik uiteen hoe deze vragen – zowel bij trusts als Privatstiftungen – kunnen worden beantwoord. Vervolgens kom ik met voorstellen om de gesignaleerde verschillen in de bescherming van legitimarissen weg te nemen.
2. De inbreng van vermogen in een trust of een Privatstiftung en de legitimaire massa
De vraag of de inbreng van vermogen in een trust of private foundation als gift in de zin van art. 4:67 BW kwalificeert, is in de literatuur veelvuldig aan de orde gekomen.7 Een gift vereist verrijking van de begiftigde ten laste van de gever, waarbij ook aan het vereiste van de bevoordelingsbedoeling is voldaan (art. 7:186 lid 2 BW).8 Doordat bij trusts en Privatstiftungen niet rechtstreeks aan de begunstigde wordt uitgekeerd, maar via een door de gever opgerichte entiteit, rijst de vraag of hier sprake is van een gift, hetzij aan de entiteit, hetzij aan de begunstigde. Duidelijkheid in dezen is van belang bij de berekening van de legitimaire massa.9
2.1 Trust en gift
Ten aanzien van de trust kan allereerst de vraag worden gesteld of de settlor – bij het instellen van een trust – de trustee begiftigt. In het Anglo-Amerikaanse recht hebben trustees vermogen, dat zij in het belang van beneficiaries beheren. Oorspronkelijk was de positie van trustee een onbezoldigde functie.10 Door de commercialisering van de functie kan de trustee in sommige gevallen een vergoeding voor zijn werkzaamheden in rekening brengen.11 Desalniettemin is de gedachte dat een trustee niet beter mag worden van zijn functie nog steeds onderdeel van het trustrecht.12 Doordat de trustee alleen een beheersfunctie heeft, de goederen niet in zijn voordeel mag gebruiken, wordt de trustee niet verrijkt.13 Ook zal een op de trustee gerichte bevoordelingsbedoeling ontbreken. De trust wordt immers ingesteld in het belang van de beneficiaries, aan wie op termijn het trustvermogen zal toevallen, en niet in het belang van de trustee.14 In de fiscale jurisprudentie15 is een gift aan de trust aangenomen. Vanuit civielrechtelijk oogpunt is het niet mogelijk om de trust als begiftigde aan te merken, omdat een trust rechtssubjectiviteit mist. 16 Al met al is het niet aannemelijk dat bij het instellen van een trust een gift aan trust17of trustee18 wordt gedaan. Vervolgens kan de vraag worden gesteld of er sprake is van een gift aan de beneficiary.
2.1.1 Gift aan beneficiary
Binnen de common law bestaat een fijnmazig onderscheid tussen de posities van beneficiaries. Het voert op deze plaats te ver om alle verschillende mogelijkheden te beschrijven. Op hoofdlijnen kan een drieledig onderscheid worden gemaakt tussen posities van beneficiaries.19 De eerste categorie bestaat uit fixed interests. Dit zijn rechten waarvan omvang en opeisbaarheid vast staan. De tweede categorie bestaat uit contingent interests. Deze rechten zijn te vergelijken met voorwaardelijke rechten. Een voorbeeld van een recht in deze categorie is het recht op uitkering zodra een begunstigde afstudeert. Ook rechten onder tijdbepaling kunnen contingent interests zijn. Bijvoorbeeld het recht op uitkering zodra de begunstigde 30 jaar wordt.
Bij trusts bestaat, naast opeisbare en voorwaardelijke rechten, een derde positie die begunstigden kunnen hebben. Posities uit deze derde categorie komen voort uit discretionary trusts, en mogen niet als ‘recht’ worden getypeerd. Een trustee van een discretionarytrust heeft een bevoegdheid, op grond waarvan hij zelfstandig beneficiaries kan aanwijzen. Wel moet de settlor een kring van personen hebben afgebakend waarbinnen de trustee begunstigden kan aanwijzen.20 Tot het moment waarop een begunstigde als zodanig wordt aangewezen heeft hij geen recht op de goederen die in trust worden gehouden. Deze positie wordt in het Engelse recht daarom als ‘spes’ of ‘mere hope’ aangeduid.21 Tot het moment van aanwijzing als begunstigde wordt degene met een ‘spes’ nog geen beneficiary genoemd, maar object of the trust.22
In de literatuur is verdedigd dat aanspraken uit fixed trusts als gift aan de beneficiary kwalificeren en daarom meetellen bij de berekening van de legitimaire massa.23 Ik sluit mij graag aan bij die stellingname, omdat de beneficiary wordt verrijkt doordat hij een opeisbaar recht krijgt op grond van de fixed trust, waarmee aan het verrijkingsvereiste is voldaan. Door de overdracht van de goederen aan de trustee, verlaten de goederen het vermogen van de insteller en verarmt deze, waardoor ook sprake is van de voor een gift vereiste verarming. Daarnaast zal de insteller in de regel de wil hebben de beneficiary te verrijken, en is de beneficiary – mits hij over het bestaan van zijn recht is ingelicht – zich bewust van zijn bevoordeling. Daardoor zijn alle elementen van de gift aanwezig. Bij voorwaardelijke rechten en verwachtingen ligt dit gecompliceerder. Contigent interests zijn voorwaardelijke rechten. Daarom zou voor de behandeling van contigent interests aansluiting kunnen worden gezocht bij de wijze waarop voorwaardelijke giften in de regeling van de legitieme worden behandeld.
In de literatuur is discussie gevoerd over de vraag of bij een discretionary trust ook sprake kan zijn van een gift aan de verwachter.24 Zolang een verwachter zich nog ophoudt in de kring van mogelijke begunstigden, heeft hij nog geen recht op uitkering. Pas wanneer de trustee gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een recht toe te kennen aan de verwachter, krijgt die laatste recht op uitkering. Vanaf dat moment is sprake van een verrijking. Voor die tijd is er nog geen gift aan de verwachter.25
2.2 Gift aan de Privatstiftung
Of de inbreng van vermogen in een Privatstiftung een gift aan de entiteit is, is in de literatuur verschillend beantwoord.26 Of de elementen ‘verrijking’ en ‘bevoordeling’, die voor een gift zijn vereist, aanwezig zijn bij het inbrengen van vermogen in een Privatstiftung, wordt verschillend beoordeeld. Verdedigd is dat een Privatstiftung niet wordt verrijkt door de inbreng, omdat zij de gehele verkrijging aan derden af moet staan. Daardoor zou de Privatstiftung alleen juridisch en geen economisch eigenaar zijn.27 Deze redenering sluit aan bij het argument waarom een trustee niet wordt verrijkt wanneer hij trustgoederen ontvangt (par. 2.1). Een Privatstiftung is, in tegenstelling tot een trust, een rechtspersoon met een statutair doel. In de regel zal dat doel bij een Privatstiftung zodanig zijn omschreven dat de stichting tot doel heeft om bepaalde personen, of een groep van personen te bevoordelen. Om het statutaire doel zo goed mogelijk in de praktijk te brengen heeft de Privatstiftung vermogen nodig. Een inbreng in de stichting vergroot het vermogen, waardoor de Privatstiftung over meer middelen beschikt, waarmee het statutaire doel in de praktijk kan worden gebracht. Daardoor zou de Privatstiftung zijn verrijkt.28
Welke zienswijze ook wordt aangehangen inzake de verrijking, om een gift aan te nemen moet ook zijn voldaan aan het vereiste van de bevoordelingsbedoeling.29 Geleerd wordt dat aan dit vereiste is voldaan wanneer de gever de wil heeft de bevoordeelde te begunstigen en de bevoordeelde zich ook van die bevoordeling bewust is.30 Ik ben van mening dat bij een inbreng van vermogen in een ANBI en soortgelijke stichtingen, deze bevoordelingsbedoeling aanwezig is.31 Daarentegen is het m.i. kwestieus of een inbrenger van vermogen in een Privatstiftung daadwerkelijk de wil heeft de Privatstiftung te bevoordelen. Formeel bezien nemen zowel Privatstiftungen als ANBI-stichtingen op zelfstandige wijze deel aan het maatschappelijke verkeer. Een ANBI-stichting kan een organisatie hebben die zelfstandig fondsen werft en eigen beleid ontwikkelt.32 Een donateur die aan een dergelijke algemeen nut bevorderende stichting geeft, heeft m.i. de wil om die stichting bij haar werkzaamheden te steunen. Aangenomen kan worden dat een stichting die – bijvoorbeeld – actief is op het gebied van het financieren van onderzoek naar hart- en vaatziekten, beter kan bepalen aan wie onderzoeksgelden ten goede komen dan de gemiddelde donateur. De ANBI-stichting neemt zelfstandig deel aan het rechtsverkeer en aangenomen kan worden dat donateurs de wil hebben om de ANBI-stichting te steunen bij het nastreven van het statutaire doel. Het is de vraag of Privatstiftungen net zo zelfstandig zijn als algemeen nut beogende stichtingen. Die zelfstandigheid acht ik van belang bij het bepalen op wie de bevoordelingsbedoeling is gericht. De insteller van een Privatstiftung heeft de wil om bepaalde personen te begunstigen,33 en schuift – vanwege planningsredenen – een Privatstiftung tussen.34 Zeker wanneer de insteller invloed heeft op de totstandkoming van de posities van de begunstigden, wijkt de situatie af van het hiervoor geschetste voorbeeld bij een algemeen nut beogende stichting. Bij algemeen nut beogende stichtingen geven donateurs in het vertrouwen dat de stichting weet hoe de donatie het beste kan worden ingezet, terwijl bij Privatstiftungen de wil van de oprichter sturend is. Het kan zo zijn dat bestuurders van een Privatstiftung discretionaire bevoegdheden hebben bij het besteden van het stichtingsvermogen waardoor de situatie lijkt op de bestedingsvrijheid die een ANBI-stichting heeft. In de praktijk kan aan beheerders met discretionaire bevoegdheden echter een letter of wishes35 worden gegeven, waarin de insteller aangeeft hoe hij wenst dat de discretionaire bevoegdheden worden gebruikt. Door aan een letter of wishes juridisch bindende kracht te onthouden, kan formeel worden volgehouden dat het om discretionaire bevoegdheden gaat. Het is de vraag of die opvatting houdbaar is, ervan uitgaande dat in de praktijk wel degelijk bindende kracht van een letter of wishes uit kan gaan. Het is immers geen goede reclame voor een stichtingsbestuurder wanneer algemeen bekend wordt dat hij zich niets van dergelijke documenten aantrekt. Een Privatstiftung zie ik daarom veel meer als een middel waarmee een insteller zijn wil tot het bevoordelen van personen vorm kan geven. De bevoordelingsbedoeling rondom een dergelijke constructie is op de uiteindelijke begunstigden gericht en niet op de Privatstiftung zelf.36
2.2.1 Gift aan de begunstigden van een Privatstiftung
Wanneer wordt aangenomen dat de inbreng van vermogen in een Privatstiftung geen gift aan de entiteit is, ontstaat een met de trust vergelijkbare situatie. Daarom rijst ook in deze context de vraag of, bij het ontbreken van een gift aan de entiteit, een gift aan de begunstigde kan worden aangenomen. Rechten van begunstigden van Privatstiftungen vertonen gelijkenis met de rechten van begunstigden van trusts. Hetzelfde drieledige onderscheid tussen opeisbare rechten, voorwaardelijke rechten en verwachtingen bestaat ook bij Privatstiftungen.37 Wel bestaat er een verschil tussen de rechten van begunstigden bij trust en Privatstiftung. Begunstigden van een trust hebben een goederenrechtelijk recht op het trustgoed, maar begunstigden van een Privatstiftung hebben een verbintenisrechtelijke aanspraak jegens de Privatstiftung.38 Personen met een verwachting op grond van een Privatstiftung hebben, gelijk de objects of a trust, geen recht jegens de entiteit tot het moment waarop een aanwijzingsbesluit is genomen.39 Daarom kom ik bij Privatstiftungen tot een conclusie die vergelijkbaar is met de conclusie die ik hierboven heb gegeven bij de trust. Rechten waarvan de waarde vaststaat op het moment waarop de legitimaire massa moet worden berekend, kunnen worden meegenomen bij de berekening. Verwachtingen daarentegen moeten buiten de berekening blijven. Zij zijn geen giften, en al zou de regeling naar analogie op verwachtingen worden toegepast, dan is de waarde van de verwachting onbekend, hetgeen een praktisch probleem oplevert bij de berekening van de legitimaire massa.
2.3 Gelijkstelling inbreng aan gift
Indien wordt aangenomen dat bij discretionary trusts en op vergelijkbare wijze ingerichte Privatstiftungen, geen gift aan de entiteit noch aan de begunstigde bestaat, telt het ingebrachte vermogen niet mee bij de berekening van de legitimaire massa. Ik vraag mij af of het verschil tussen situaties waarbij begunstigden wel een recht hebben en gevallen waarin begunstigden slechts een verwachting hebben, gerechtvaardigd is. Het vermogen is uit het vermogen van de erflater verdwenen en daarmee begon de uitholling van de rechtspositie van de legitimaris. De bescherming van de legitimaris zou vervolgens niet moeten afhangen van het feit of de begunstigde van de entiteit een recht of een verwachting heeft. Ik ben van mening dat beide gevallen uniform moeten worden behandeld.
Bij de invoering van het huidige erfrecht is ervoor gekozen erflaters geen volledige zeggenschap te geven over hun vermogen, maar de bescherming van legitimarissen te handhaven.40 Wanneer wordt geaccepteerd dat bepaalde structuren met trusts en Privatstiftungen kunnen dienen ter uitholling van de rechtspositie van de legitieme, staat dit op gespannen voet met de ratio van de regeling van de legitieme.41 In de literatuur is de mogelijkheid genoemd om het gat in de bescherming van legitimarissen met wetgeving te dichten.42 Het is echter de vraag of de legitimaris op de wetgever moet wachten, of dat de rechtspraak de legitimaris zou kunnen beschermen. Doordat de Nederlandse wet niet regelt of de legitimaris wordt beschermd bij inbreng van vermogen in sommige entiteiten, bestaat op dit punt een wettelijke lacune. Daardoor rijst de vraag of die lacune door middel van analoge toepassing van de regeling van de legitieme kan worden gevuld. Bij lacunes is rechtsvinding naar analogie in principe geoorloofd, maar uitzonderingsbepalingen en limitatieve opsomming lenen zich niet voor analoge toepassing.43 Ik meen dat de beschermingsgedachte van de legitimaris zo fundamenteel is, dat de regeling van de legitieme niet het karakter heeft van een uitzonderingsbepaling of limitatieve opsomming. De rechter mag de regeling van de legitieme m.i. daarom naar analogie toepassen op de inbrenghandeling in een entiteit. Daarbij is het wel van belang dat er geen dubbeltellingen ontstaan. Analoge toepassing is daarom alleen geboden wanneer de begunstigden van de entiteit verwachtingen hebben. In geval de begunstigden rechten hebben, kunnen deze reeds worden bijgeteld in de berekening van de legitimaire massa.
3. Slot
De inbreng van vermogen in een trust of Privatstiftung kwalificeert bij beide figuren niet als gift. Het recht van de begunstigde van een entiteit kan wel als gift kwalificeren. Daardoor ontstaat een verschil in bescherming van de legitimaris bij enerzijds discretionary trusts,en op vergelijkbare wijze ingerichte Privatstiftungen, en anderzijds entiteiten waarbij de begunstigden wel rechten hebben. Dit verschil is m.i. niet goed te rechtvaardigen. Het verschil in behandeling kan worden ondervangen door de inbreng van vermogen in een discretionary trust, en op vergelijkbare wijze ingerichte Privatstiftungen, gelijk te stellen aan een gift. Het is mogelijk om de inbrenghandeling in de rechtspraak aan een gift gelijk te stellen. Wetgeving op dit gebied is m.i. echter te prefereren, omdat er in de door mij voorgestelde buitenwettelijke oplossing een verschil zit tussen de behandeling van structuren waaraan begunstigden rechten ontlenen en entiteiten waarbij er slechts verwachters zijn. Een uniforme behandeling van de inbreng in buitenlandse entiteiten zou de duidelijkheid ten goede komen. Idealiter zou de inbrenghandeling in alle entiteiten aan een gift worden gelijkgesteld, waarbij – om dubbeltellingen te voorkomen – ook zal moeten worden geregeld dat rechten van begunstigden niet meer als gift worden gezien binnen de regeling van de legitieme.