Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/8.5.4
8.5.4 Redelijkheid en billijkheid
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381635:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Bloembergen 1971, p. 15; Ph.A.N. Houwing, ‘Erfpacht en erfpachtsvoorwaarden’, WPNR 4496 (1957), p. 280; Huijgen in Van Velten, Snijders en Huijgen 1995, p. 159; J. Valkhoff, ‘Vervreemding van het erfpachtrecht in het Nieuwe BW’, WPNR 4650 (1960), p. 474; Plantenga in Plantenga en Treurniet 1957, p. 24 en 38; Treurniet in Plantenga en Treurniet 1957, p. 111-112; P. Scholten, ‘Rechtsvragen’, WPNR 2635 (1920), p. 332, die erop wijst dat de bewijslast voor het niet te goeder trouw weigeren van toestemming rust op de erfpachter; Bregstein, ‘Rechtsvragen’, WPNR 4339 (1954); Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 311 (TM). Volgens de wetgever kan het niet te goeder trouw weigeren van toestemming misbruik van recht opleveren. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 712 over de toestemming voor splitsing van een erfpachts- of opstalrecht.
Zie bijvoorbeeld art. 5:91 lid 4 en 5:121 lid 1 BW.
Bloembergen 1971, p. 15, verwijzend naar Asser/Rutten 4-II, 1975, p. 251; Hofmann & Van Opstall 1959, p. 438.
Vergelijk art. 5:91 lid 4 en 5:121 lid 1 BW. Zie in gelijke zin Bloembergen 1971, p. 22.
359. Degene aan wie om toestemming wordt gevraagd, is in beginsel vrij om de toestemming al dan niet te verlenen. Waar de grens ligt van die vrijheid, wordt in eerste instantie bepaald door de eisen die de wet of het contract stellen waarbij de bevoegdheid tot het verlenen toestemming is overeengekomen. Indien een leidraad in die bronnen ontbreekt, kan de goede trouw een basis vormen. Voor toestemming die wordt verleend als deel van een overeenkomst, bepalen art. 6:2 en 6:248 BW dat de redelijkheid en billijkheid van invloed kunnen zijn op de rechtsverhouding tussen degene die toestemming verleent en degene die om toestemming verzoekt.
De redelijkheid en billijkheid beheersen ook (toestemming verleend in) goederenrechtelijke verhoudingen. Zo is in de literatuur aanvaard dat de bloot eigenaar van een perceel niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid mag weigeren om al dan niet toestemming te verlenen voor overdracht van het erfpachtrecht.1 De wet bepaalt op verschillende plaatsen dat een machtiging van de rechter in de plaats kan komen van vereiste toestemming indien degene die toestemming moet verlenen zich niet verklaart of de toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd.2
360. De vraag is of deze regels van overeenkomstige toepassing zijn op eenzijdige verleende toestemming, die niet kan bogen op dergelijke specifieke goede trouw-regelingen. Er is dan immers geen sprake van partijen bij of rechtsgevolgen die voortvloeien uit een overeenkomst, zodat art. 6:248 BW strikt genomen niet opgaat. Ook kan bezwaarlijk gesproken worden van een ‘schuldeiser’ en ‘schuldenaar’, zoals in art. 6:2 BW. Voordat toestemming is verleend, bestaat niet noodzakelijkerwijs een rechtsverhouding. En nadat toestemming is verleend, is niet in alle gevallen sprake meer van een vordering van de ene op de andere partij, als geen tegenprestatie is verschuldigd.
Mijns inziens moet worden aangenomen dat degene die eenzijdig toestemming verleent, in beginsel vrij is om die toestemming al dan niet te verlenen. Dit vloeit voort uit het beginsel van autonomie, past in de lijn van de art. 6:2 en 6:284 BW, en sluit bijvoorbeeld ook aan bij de uitgangspunten van precontractuele trouw. Echter, die vrijheid wordt begrensd door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bloembergen vergelijkt in dit opzicht de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming met de bevoegdheid eenzijdig met een bindende partijbeslissing een geschil te beslechten, of de bevoegdheid een overeenkomst uit te leggen of aan te vullen. Deze bevoegdheden mogen alle slechts worden uitgeoefend met inachtneming van de eisen van de goede trouw.3 Dit geldt volgens Bloembergen ook voor de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming. Het weigeren van toestemming zonder redelijke grond kan misbruik van recht opleveren. Als de redelijkheid en billijkheid niet van toepassing zijn, kan de regeling van misbruik van recht disproportionaliteit in de afweging corrigeren.
Niet snel zal mijns inziens aangenomen mogen worden dat in strijd met de redelijkheid en billijkheid geen toestemming verleend is, of dat sprake is van misbruik van recht. Degene die toestemming moet verlenen, zal die bevoegdheid doorgaans gekregen hebben om zijn eigen belang te dienen. Het enkele feit dat de toestemming verlenende partij belang heeft bij weigering betekent nog niet sprake is van weigering zonder redelijke grond. Voorstelbaar is dat het belang van degene die om toestemming verzoekt veel groter is dan het belang dat degene die toestemming verleent bij weigering heeft. Ook in die situaties zal in beginsel het belang van de toestemming verlenende partij bij weigering moeten prevaleren. Dat is een inherent gevolg van de machtspositie die bij wet of contract aan hem is verleend.
361. Een op onredelijke gronden geweigerde toestemming kan in een contractuele relatie mogelijk wanprestatie opleveren en in een buitencontractuele relatie een onrechtmatige daad. De benadeelde partij kan schadevergoeding vorderen. Mijns inziens kan een contractuele wederpartij mogelijk ook nakoming vorderen, als uit de rechtsverhouding een (impliciete) verplichting kan worden afgeleid tot het niet op onredelijke gronden weigeren om toestemming te verlenen. Degene die toestemming moet verlenen, kan daartoe in een gerechtelijke procedure veroordeeld worden en de rechter kan op grond van art. 3:300 BW bepalen dat zijn vonnis in de plaats treedt van de toestemming.4