Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:408 BW:Opzegging
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:408 BW
Opzegging
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. D.E. Alink, actueel t/m 30-01-2026
Actueel t/m
30-01-2026
Tijdvak
01-09-1993 tot: -
Auteur
mr. D.E. Alink
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:408 BW
Uit lid 1 volgt dat het uitgangspunt is dat de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Dit opzeggingsrecht kan in de eerste plaats een rol spelen in een procedure waarin de opdrachtnemer nakoming vordert door de opdrachtgever van een verplichting uit de overeenkomst door bijvoorbeeld betaling van het overeengekomen loon. Het opzeggingsrecht kan ook een rol spelen in een procedure waarin de opdrachtnemer een op een tekortkoming gebaseerde vordering instelt bestaande uit een niet-nakoming door de opdrachtgever, zoals een vordering tot schadevergoeding of ontbinding. De opdrachtgever kan zich er dan, bij wijze van (bevrijdend) verweer1, op beroepen dat hij de overeenkomst reeds had opgezegd, zodat de aan de nakomingsvordering of tekortkomingsvordering ten grondslag gelegde verplichting niet meer bestond. Op de opdrachtgever rusten daarbij, conform de hoofdregel van art. 150 Rv, de stelplicht en de bewijslast van een dergelijk verweer, omdat hij de rechtsgevolgen van de opzegging inroept ter blokkering van de vordering van de opdrachtnemer.
De spiegelbeeldige situatie – waarin de opdrachtgever in een procedure een vordering instelt gebaseerd op de overeenkomst van opdracht, terwijl de opdrachtnemer het (bevrijdende) verweer voert dat de opdrachtgever die overeenkomst reeds had opgezegd – is eveneens mogelijk. In dat geval rusten de stelplicht en de bewijslast van die opzegging op de opdrachtnemer.
Partijafspraken
Van de regeling in lid 1 – inhoudende dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen – kan ingevolge art. 7:413 lid 2 BW niet ten nadele van de particuliere opdrachtgever worden afgeweken. Afwijken ten nadele van een particuliere opdrachtgever leidt tot vernietigbaarheid van het beding.2 Met de professionele opdrachtgever kunnen daarentegen wel andere afspraken worden gemaakt, zoals de afspraak dat gedurende een bepaalde tijd niet kan worden opgezegd of dat er een zwaarwegende grond nodig is voor de opzegging. Beperkingen aan de opzegbaarheid van de overeenkomst kunnen, naast dat ze expliciet zijn overeengekomen, ook voortvloeien uit de aard of inhoud van de overeenkomst.3 Indien dit wordt toegepast op de hierboven beschreven twee situaties leidt dat tot het volgende.
Indien de opdrachtgever in rechte wordt aangesproken door de opdrachtnemer, kan de opdrachtgever zich (zoals hiervoor is opgemerkt) verweren met het (bevrijdende) verweer dat hij de overeenkomst heeft opgezegd. De opdrachtnemer kan zich vervolgens beroepen op een van deze wettelijke regeling afwijkende partijafspraak, die met zich brengt dat de opzegging niet rechtsgeldig is. De stelplicht en de bewijslast van die partijafspraak rusten op de opdrachtnemer.4 De particuliere opdrachtgever kan in reactie daarop bij wijze van (bevrijdend) verweer zich beroepen op de vernietigbaarheid van die partijafspraak, op de grond dat hij een particuliere opdrachtgever is en die afspraak een afwijking in zijn nadeel behelst. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit dat volgt rusten op de opdrachtgever.
Indien de opdrachtgever een op de overeenkomst van opdracht gebaseerde vordering instelt jegens de opdrachtnemer, kan, zoals reeds opgemerkt, de opdrachtnemer zich erop beroepen dat de opdrachtgever de overeenkomst reeds had opgezegd. Op de opdrachtnemer rusten dan de stelplicht en de bewijslast van de feiten waaruit die opzegging kan worden afgeleid.
Opzegtermijn
De regeling van art. 7:408 lid 1 BW dat de opdrachtgever te allen tijde kan opzeggen impliceert dat de opdrachtgever geen opzegtermijn in acht hoeft te nemen. Partijen kunnen evenwel overeenkomen dat de opdrachtgever een opzegtermijn in acht dient te nemen. Een opzegtermijn kan ook voortvloeien uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.5 Voor de professionele opdrachtgever kan zonder meer iets anders worden overeengekomen.6
De opdrachtnemer kan zich in een procedure erop beroepen dat de opdrachtgever bij de opzegging van de overeenkomst ten onrechte niet een opzegtermijn, althans een te korte opzegtermijn in acht heeft genomen. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als, in reactie op een nakomingsvordering van de opdrachtnemer tot betaling van loon, de opdrachtgever het verweer voert dat de overeenkomst wat betreft die periode al was geëindigd door middel van een opzegging door de opdrachtgever. De opdrachtnemer zou dan kunnen stellen dat die opzegging onregelmatig was omdat de opdrachtgever niet een (juiste) opzegtermijn in acht had genomen. Aannemelijk is dat de niet-inachtneming van een redelijke opzegtermijn een opzegging in de regel niet ongeldig maakt, omdat conversie plaatsvindt in een opzegging tegen de juiste termijn.7 Gelet op het uitgangspunt zoals dat uit art. 7:408 lid 1 BW volgt, dat de opdrachtgever in beginsel geen opzegtermijn in acht hoeft te nemen, rusten conform de hoofdregel van art. 150 Rv op de opdrachtnemer de stelplicht en de bewijslast dat er een opzegtermijn van een bepaalde duur gold op grond van een partijafspraak of op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit laatste is een rechterlijke waardering, die zich in zoverre niet leent voor bewijslevering. De opdrachtnemer dient wel de relevante feiten en omstandigheden daarvoor te stellen en zo nodig te bewijzen.
Wat betreft de consument-opdrachtgever staan art. 7:408 en 7:413 BW er – mede gelet op art. 6:236 onder j en art. 6:237 onder k en o BW – niet aan in de weg dat een opdrachtnemer met een consument-opdrachtgever een opzegtermijn overeenkomt. Deze opzegtermijn mag echter in beginsel niet langer zijn dan één maand. Een beding in algemene voorwaarden dat ten nadele van de consument afwijkt van art. 7:408 en 7:411 BW wordt op de voet van art. 6:233, aanhef en onder a BW als onredelijk bezwarend aangemerkt en is daarmee oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13. Zo’n beding moet door de rechter, zo nodig ambtshalve, buiten toepassing worden gelaten.8
Opzegging door de opdrachtnemer (lid 2)
Lid 2 kent een regeling voor het opzeggen van de overeenkomst door de opdrachtnemer, indien deze handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Ingevolge lid 2 kan een dergelijke professionele opdrachtnemer de overeenkomst slechts opzeggen indien zij voor onbepaalde tijd geldt en niet door volbrenging eindigt. Indien geen sprake is van een dergelijke overeenkomst, kan de professionele opdrachtnemer desalniettemin opzeggen in geval van gewichtige redenen.
Opdrachtnemer beroept zich op de opzegging
In een procedure kan de opzegging door de professionele opdrachtnemer een rol spelen, indien de opdrachtgever een op de overeenkomst van opdracht gebaseerde vordering instelt. De professionele opdrachtnemer kan zich, bij wijze van (bevrijdend) verweer, erop beroepen dat de overeenkomst is opgezegd. De opdrachtgever kan de geldigheid van de opzegging betwisten door zich erop te beroepen dat niet aan de voorwaarden van lid 2 voor een geldige opzegging is voldaan. Dat is niet een verweer, maar een betwisting van de opzegging. Het ligt dan op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de weg van de professionele opdrachtnemer te stellen en te bewijzen dat sprake was van een overeenkomst die voor onbepaalde tijd geldt en niet door volbrenging eindigt. Indien niet sprake is van een dergelijke overeenkomst en de professionele opdrachtnemer zich erop beroept dat sprake is van gewichtige redenen, rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit deze gewichtige redenen volgen, eveneens op de opdrachtnemer. Zie in dat kader het bepaalde in art. 7:402 lid 2 BW.
Opdrachtgever beroept zich op de opzegging
Het is ook mogelijk dat de opdrachtgever, in een procedure waarin de opdrachtnemer een vordering heeft ingesteld op grond van de overeenkomst van opdracht, zoals een nakomingsvordering of een tekortkomingsvordering, het verweer voert dat de overeenkomst reeds was geëindigd doordat de opdrachtnemer de overeenkomst van opdracht had opgezegd overeenkomstig het bepaalde in art. 7:408 lid 2 BW. De stelplicht en de bewijslast rusten daarvan in dat geval op de opdrachtgever. De opdrachtgever zal in dat geval dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opdrachtnemer de wil tot opzegging heeft geuit, althans dat de opdrachtgever daarop mocht vertrouwen en ook dat deze wilsuiting heeft geleid tot een rechtsgeldige opzegging omdat sprake was van gewichtige redenen of van een overeenkomst voor onbepaalde duur dan wel een overeenkomst die niet door volbrenging eindigt. Een niet rechtsgeldig verrichte opzeggingshandeling leidt immers niet tot beëindiging van de overeenkomst.9
Partijafspraken
Overigens zal de professionele opdrachtnemer of opdrachtgever zich ook op het standpunt kunnen stellen dat, hoewel niet aan de vereisten van art. 7:408 lid 2 BW is voldaan, de opzegging toch effect heeft gesorteerd omdat partijen (impliciet) een van de wet afwijkende afspraak hebben gemaakt of dat partijen zich bij de opzegging hebben neergelegd.10 Aangezien lid 2 van regelend recht is, kunnen de partijen afwijkende afspraken maken. Partijen kunnen zowel een strengere als minder strenge opzegregeling overeenkomen. Ook kan de aard van de verhouding een ruimere opzeggingsbevoegdheid meebrengen, dan wel opzegging uitsluiten.11 Op de partij die zich erop beroept dat dergelijke afwijkende afspraken zijn gemaakt dan wel zich beroept op een afwijking op grond van de aard van de verhouding of zich erop beroept dat partijen zich bij de opzegging hebben neergelegd, rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast daarvan.
Overigens zal het uitsluiten van de bevoegdheid tot opzegging wegens gewichtige redenen veelal onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.12 Dit betreft een rechterlijke waardering die zich in zoverre niet leent voor bewijslevering. Op de opdrachtnemer, die zich hierop zal beroepen, rusten evenwel de stelplicht en de bewijslast van de relevante feiten en omstandigheden voor die rechterlijke waardering.
Niet schadeplichtig (lid 3)
Lid 3 bepaalt dwingendrechtelijk dat als de opdrachtgever een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hij ter zake de opzegging nimmer schadeplichtig is. Het artikellid ziet op het vergoeden van schade en niet op de betaling van loon of onkosten. Ook als een opzegging is toegestaan, kan de opdrachtgever verplicht zijn om de onkosten ex art. 7:406 BW of loon ex art. 7:411 BW te voldoen.13
De regeling van dit lid 3 beoogt te voorkomen dat de opzeggingsbevoegdheid van de particuliere opdrachtgever als verwoord in lid 1 wordt verijdeld.14 Nu een particulier te allen tijde mag opzeggen en een rechtmatige opzegging niet tot schadeplichtigheid leidt, moet het artikellid in die zin worden uitgelegd dat ook het contractueel bedingen van betaling van een boete of schadevergoeding niet is toegestaan.15
In een procedure zal de opdrachtgever, die door de opdrachtnemer wordt aangesproken tot betaling van schadevergoeding wegens opzegging, zich erop beroepen dat hij niet schadeplichtig is nu hij een particuliere opdrachtgever is. De stelplicht en de bewijslast dat hij een particuliere opdrachtgever is en dat hij daarom niet schadeplichtig is, alsmede dat een eventueel hier bedoeld contractueel beding daarom vernietigbaar is, rusten op de opdrachtgever.
Vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012/684 m.nt. Tjong Tjin Tai, welk arrest betrekking heeft op een niet gerechtvaardigde buitengerechtelijke ontbinding.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:408 BW
Opzegging
mr. D.E. Alink, actueel t/m 30-01-2026
30-01-2026
01-09-1993 tot: -
mr. D.E. Alink
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:408 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 408
Opzegging door de opdrachtgever (lid 1)
Uit lid 1 volgt dat het uitgangspunt is dat de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Dit opzeggingsrecht kan in de eerste plaats een rol spelen in een procedure waarin de opdrachtnemer nakoming vordert door de opdrachtgever van een verplichting uit de overeenkomst door bijvoorbeeld betaling van het overeengekomen loon. Het opzeggingsrecht kan ook een rol spelen in een procedure waarin de opdrachtnemer een op een tekortkoming gebaseerde vordering instelt bestaande uit een niet-nakoming door de opdrachtgever, zoals een vordering tot schadevergoeding of ontbinding. De opdrachtgever kan zich er dan, bij wijze van (bevrijdend) verweer1, op beroepen dat hij de overeenkomst reeds had opgezegd, zodat de aan de nakomingsvordering of tekortkomingsvordering ten grondslag gelegde verplichting niet meer bestond. Op de opdrachtgever rusten daarbij, conform de hoofdregel van art. 150 Rv, de stelplicht en de bewijslast van een dergelijk verweer, omdat hij de rechtsgevolgen van de opzegging inroept ter blokkering van de vordering van de opdrachtnemer.
De spiegelbeeldige situatie – waarin de opdrachtgever in een procedure een vordering instelt gebaseerd op de overeenkomst van opdracht, terwijl de opdrachtnemer het (bevrijdende) verweer voert dat de opdrachtgever die overeenkomst reeds had opgezegd – is eveneens mogelijk. In dat geval rusten de stelplicht en de bewijslast van die opzegging op de opdrachtnemer.
Partijafspraken
Van de regeling in lid 1 – inhoudende dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen – kan ingevolge art. 7:413 lid 2 BW niet ten nadele van de particuliere opdrachtgever worden afgeweken. Afwijken ten nadele van een particuliere opdrachtgever leidt tot vernietigbaarheid van het beding.2 Met de professionele opdrachtgever kunnen daarentegen wel andere afspraken worden gemaakt, zoals de afspraak dat gedurende een bepaalde tijd niet kan worden opgezegd of dat er een zwaarwegende grond nodig is voor de opzegging. Beperkingen aan de opzegbaarheid van de overeenkomst kunnen, naast dat ze expliciet zijn overeengekomen, ook voortvloeien uit de aard of inhoud van de overeenkomst.3 Indien dit wordt toegepast op de hierboven beschreven twee situaties leidt dat tot het volgende.
Indien de opdrachtgever in rechte wordt aangesproken door de opdrachtnemer, kan de opdrachtgever zich (zoals hiervoor is opgemerkt) verweren met het (bevrijdende) verweer dat hij de overeenkomst heeft opgezegd. De opdrachtnemer kan zich vervolgens beroepen op een van deze wettelijke regeling afwijkende partijafspraak, die met zich brengt dat de opzegging niet rechtsgeldig is. De stelplicht en de bewijslast van die partijafspraak rusten op de opdrachtnemer.4 De particuliere opdrachtgever kan in reactie daarop bij wijze van (bevrijdend) verweer zich beroepen op de vernietigbaarheid van die partijafspraak, op de grond dat hij een particuliere opdrachtgever is en die afspraak een afwijking in zijn nadeel behelst. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit dat volgt rusten op de opdrachtgever.
Indien de opdrachtgever een op de overeenkomst van opdracht gebaseerde vordering instelt jegens de opdrachtnemer, kan, zoals reeds opgemerkt, de opdrachtnemer zich erop beroepen dat de opdrachtgever de overeenkomst reeds had opgezegd. Op de opdrachtnemer rusten dan de stelplicht en de bewijslast van de feiten waaruit die opzegging kan worden afgeleid.
Opzegtermijn
De regeling van art. 7:408 lid 1 BW dat de opdrachtgever te allen tijde kan opzeggen impliceert dat de opdrachtgever geen opzegtermijn in acht hoeft te nemen. Partijen kunnen evenwel overeenkomen dat de opdrachtgever een opzegtermijn in acht dient te nemen. Een opzegtermijn kan ook voortvloeien uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.5 Voor de professionele opdrachtgever kan zonder meer iets anders worden overeengekomen.6
De opdrachtnemer kan zich in een procedure erop beroepen dat de opdrachtgever bij de opzegging van de overeenkomst ten onrechte niet een opzegtermijn, althans een te korte opzegtermijn in acht heeft genomen. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als, in reactie op een nakomingsvordering van de opdrachtnemer tot betaling van loon, de opdrachtgever het verweer voert dat de overeenkomst wat betreft die periode al was geëindigd door middel van een opzegging door de opdrachtgever. De opdrachtnemer zou dan kunnen stellen dat die opzegging onregelmatig was omdat de opdrachtgever niet een (juiste) opzegtermijn in acht had genomen. Aannemelijk is dat de niet-inachtneming van een redelijke opzegtermijn een opzegging in de regel niet ongeldig maakt, omdat conversie plaatsvindt in een opzegging tegen de juiste termijn.7 Gelet op het uitgangspunt zoals dat uit art. 7:408 lid 1 BW volgt, dat de opdrachtgever in beginsel geen opzegtermijn in acht hoeft te nemen, rusten conform de hoofdregel van art. 150 Rv op de opdrachtnemer de stelplicht en de bewijslast dat er een opzegtermijn van een bepaalde duur gold op grond van een partijafspraak of op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit laatste is een rechterlijke waardering, die zich in zoverre niet leent voor bewijslevering. De opdrachtnemer dient wel de relevante feiten en omstandigheden daarvoor te stellen en zo nodig te bewijzen.
Wat betreft de consument-opdrachtgever staan art. 7:408 en 7:413 BW er – mede gelet op art. 6:236 onder j en art. 6:237 onder k en o BW – niet aan in de weg dat een opdrachtnemer met een consument-opdrachtgever een opzegtermijn overeenkomt. Deze opzegtermijn mag echter in beginsel niet langer zijn dan één maand. Een beding in algemene voorwaarden dat ten nadele van de consument afwijkt van art. 7:408 en 7:411 BW wordt op de voet van art. 6:233, aanhef en onder a BW als onredelijk bezwarend aangemerkt en is daarmee oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13. Zo’n beding moet door de rechter, zo nodig ambtshalve, buiten toepassing worden gelaten.8
Opzegging door de opdrachtnemer (lid 2)
Lid 2 kent een regeling voor het opzeggen van de overeenkomst door de opdrachtnemer, indien deze handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Ingevolge lid 2 kan een dergelijke professionele opdrachtnemer de overeenkomst slechts opzeggen indien zij voor onbepaalde tijd geldt en niet door volbrenging eindigt. Indien geen sprake is van een dergelijke overeenkomst, kan de professionele opdrachtnemer desalniettemin opzeggen in geval van gewichtige redenen.
Opdrachtnemer beroept zich op de opzegging
In een procedure kan de opzegging door de professionele opdrachtnemer een rol spelen, indien de opdrachtgever een op de overeenkomst van opdracht gebaseerde vordering instelt. De professionele opdrachtnemer kan zich, bij wijze van (bevrijdend) verweer, erop beroepen dat de overeenkomst is opgezegd. De opdrachtgever kan de geldigheid van de opzegging betwisten door zich erop te beroepen dat niet aan de voorwaarden van lid 2 voor een geldige opzegging is voldaan. Dat is niet een verweer, maar een betwisting van de opzegging. Het ligt dan op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de weg van de professionele opdrachtnemer te stellen en te bewijzen dat sprake was van een overeenkomst die voor onbepaalde tijd geldt en niet door volbrenging eindigt. Indien niet sprake is van een dergelijke overeenkomst en de professionele opdrachtnemer zich erop beroept dat sprake is van gewichtige redenen, rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit deze gewichtige redenen volgen, eveneens op de opdrachtnemer. Zie in dat kader het bepaalde in art. 7:402 lid 2 BW.
Opdrachtgever beroept zich op de opzegging
Het is ook mogelijk dat de opdrachtgever, in een procedure waarin de opdrachtnemer een vordering heeft ingesteld op grond van de overeenkomst van opdracht, zoals een nakomingsvordering of een tekortkomingsvordering, het verweer voert dat de overeenkomst reeds was geëindigd doordat de opdrachtnemer de overeenkomst van opdracht had opgezegd overeenkomstig het bepaalde in art. 7:408 lid 2 BW. De stelplicht en de bewijslast rusten daarvan in dat geval op de opdrachtgever. De opdrachtgever zal in dat geval dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opdrachtnemer de wil tot opzegging heeft geuit, althans dat de opdrachtgever daarop mocht vertrouwen en ook dat deze wilsuiting heeft geleid tot een rechtsgeldige opzegging omdat sprake was van gewichtige redenen of van een overeenkomst voor onbepaalde duur dan wel een overeenkomst die niet door volbrenging eindigt. Een niet rechtsgeldig verrichte opzeggingshandeling leidt immers niet tot beëindiging van de overeenkomst.9
Partijafspraken
Overigens zal de professionele opdrachtnemer of opdrachtgever zich ook op het standpunt kunnen stellen dat, hoewel niet aan de vereisten van art. 7:408 lid 2 BW is voldaan, de opzegging toch effect heeft gesorteerd omdat partijen (impliciet) een van de wet afwijkende afspraak hebben gemaakt of dat partijen zich bij de opzegging hebben neergelegd.10 Aangezien lid 2 van regelend recht is, kunnen de partijen afwijkende afspraken maken. Partijen kunnen zowel een strengere als minder strenge opzegregeling overeenkomen. Ook kan de aard van de verhouding een ruimere opzeggingsbevoegdheid meebrengen, dan wel opzegging uitsluiten.11 Op de partij die zich erop beroept dat dergelijke afwijkende afspraken zijn gemaakt dan wel zich beroept op een afwijking op grond van de aard van de verhouding of zich erop beroept dat partijen zich bij de opzegging hebben neergelegd, rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast daarvan.
Overigens zal het uitsluiten van de bevoegdheid tot opzegging wegens gewichtige redenen veelal onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.12 Dit betreft een rechterlijke waardering die zich in zoverre niet leent voor bewijslevering. Op de opdrachtnemer, die zich hierop zal beroepen, rusten evenwel de stelplicht en de bewijslast van de relevante feiten en omstandigheden voor die rechterlijke waardering.
Niet schadeplichtig (lid 3)
Lid 3 bepaalt dwingendrechtelijk dat als de opdrachtgever een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, hij ter zake de opzegging nimmer schadeplichtig is. Het artikellid ziet op het vergoeden van schade en niet op de betaling van loon of onkosten. Ook als een opzegging is toegestaan, kan de opdrachtgever verplicht zijn om de onkosten ex art. 7:406 BW of loon ex art. 7:411 BW te voldoen.13
De regeling van dit lid 3 beoogt te voorkomen dat de opzeggingsbevoegdheid van de particuliere opdrachtgever als verwoord in lid 1 wordt verijdeld.14 Nu een particulier te allen tijde mag opzeggen en een rechtmatige opzegging niet tot schadeplichtigheid leidt, moet het artikellid in die zin worden uitgelegd dat ook het contractueel bedingen van betaling van een boete of schadevergoeding niet is toegestaan.15
In een procedure zal de opdrachtgever, die door de opdrachtnemer wordt aangesproken tot betaling van schadevergoeding wegens opzegging, zich erop beroepen dat hij niet schadeplichtig is nu hij een particuliere opdrachtgever is. De stelplicht en de bewijslast dat hij een particuliere opdrachtgever is en dat hij daarom niet schadeplichtig is, alsmede dat een eventueel hier bedoeld contractueel beding daarom vernietigbaar is, rusten op de opdrachtgever.
Voetnoten
1.
Zie daarover: Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast, 3 (Inleiding).
2.
Castermans & Krans, in: T&C BW, art. 7:413 BW, aant. 3; Asser/Sieburgh 6-III 2022/318.
3.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/161.
4.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1222, r.o. 4.6; Rb Amsterdam 11 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1374; Rb Gelderland 5 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2676, NJF 2014/294.
5.
HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685 m.nt. Tjong Tjin Tai (Ronde Venen/Stedin); Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/165.
6.
Nijland, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:408 BW, aant. 2.
7.
Valk & Valk, in: T&C BW, art. 6:248 BW, onderdeel 5.b met verwijzing naar HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1709, RvdW 2025/1, rov. 3.2-3.3. Zie voorts: Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/165 en 180.
8.
HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. Pavillon.
9.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/180.
10.
Vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012/684 m.nt. Tjong Tjin Tai, welk arrest betrekking heeft op een niet gerechtvaardigde buitengerechtelijke ontbinding.
11.
Nijland, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:408 BW, aant. 3.
12.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/168.
13.
Nijland, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:408 BW, aant. 4.
14.
Parl. Gesch. BW Inv., p. 367-368.
15.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/164.