Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.8.2.2.3
III.8.2.2.3 Rechtvaardiging voor afwijkingen
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501451:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 19 april 2007, zaak C-455/05, V-N 2007/21.18, r.o. 24 (Velvet & Steel); HvJ 22 oktober 2009, zaak C-242/08, V-N 2009/53.21, r.o. 49 (Swiss Re); I. Roxan, ‘VAT Supplies of Services: A Definition in Search of a Meaning’ in: A. Lymer & D. Salter (red.), Contemporary Issues in Taxation Research, Aldershot (GB): Ashgate 2003, p. 185; Value Added Tax. A Study of Methods of Taxing Financial and Insurance Services (Rapport van Ernst & Young voor de Europese Commissie uit 1996), p. 3; R. de la Feria, ‘The EU VAT treatment of insurance and financial services (again) under review’, EC Tax Review 2007, p. 74-89; Henkow 2008, p. 342.
Zie omtrent die methoden L.A. Hoffman, S.N. Poddar & J. Whalley, ‘Taxation of Banking Services Under a Consumption Type, Destination Basis VAT’, National Tax Journal 1987, p. 547-554; S.N. Poddar & M. English, ‘Taxation of Financial Services Under a Value-Added Tax: Applying the Cash-Flow Approach’, National Tax Journal 1997, p. 89-111; H.H. Zee, ‘A New Approach to Taxing Financial Intermediation Services Under a Value-Added Tax’, National Tax Journal 2005, p. 77-92. De cashflowmethode met TCA is in de praktijk getest. De weinig hoopgevende uitkomsten zijn gepresenteerd in H. Huizinga, ‘Financial Services – VAT in Europe?’, Economic Policy 2002, p. 499-534. Zie voor een samenvatting van voormeld onderzoek: H.A. Kogels, ‘General Report’ in: H.A. Kogels (red.), Consumption taxation and financial services (Cahiers de droit fiscal international Volume LXXXVIIIb), Den Haag: Kluwer Law International 2003, p. 30-33; Henkow 2008, p. 322-335; E.G. de Geus, ‘Belasten van financiële prestaties in de btw’, MBB 2013/10.
Zie bv. A. Schenk, V. Thuronyi & W. Cui, Value Added Tax. A Comparative Approach, New York (VS): Cambridge University Press 2015, p. 373 e.v.
a. Verstrekken van financiering
Zowel in de jurisprudentie als in de literatuur is te vinden dat de vrijstellingen voor financiële diensten, waaronder de verlening van krediet, voornamelijk door (wets)technische motieven zijn ingegeven.1 Technisch is het in voorkomende gevallen lastig, of zelfs onmogelijk, op transactieniveau de vergoeding voor een financiële dienst adequaat vast te stellen. Een bank kan, bijvoorbeeld, eenvoudig de vergoeding voor zijn diensten aan rekeninghouders en kredietnemers verdisconteren in de rente die hij vergoedt of bedingt. Nu zijn wel methoden bedacht om kredietverlening, waarbij dit bij uitstek speelt, toch op transactiebasis in de heffing van omzetbelasting te betrekken, maar die methoden zijn complex en in pilotprojecten moeilijk uitvoerbaar gebleken.2 Uitvoerbaarheid en eenvoud vormen daarom een rechtvaardiging voor het niet belasten van het verbruik dat financiers in voorkomende gevallen mogelijk maken. Naar mijn mening betreft het bovendien over het algemeen een overtuigende rechtvaardiging voor de afwijking van de strekking van de belasting. Dit neemt niet weg dat op basis van ervaringen in derde landen, zoals Nieuw-Zeeland, wellicht verbeteringen mogelijk zijn.3
b. Overdracht aandelen en obligaties
Omdat het niet heffen van omzetbelasting bij overdrachten van aandelen en obligaties in overeenstemming is met de strekking van de belasting, komt een rechtvaardiging niet aan de orde.