Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/6.4
6.4 Uitleg
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374401:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140 m.nt. Josephus Jitta (SNS).
HR 17 september 1993, NJ 1994/173 (Gerritse/HAS).
HR 20 februari 2004, NJ 2004/34 (DSM/Fox).
M.H. Wissink, ‘Uitleg volgens Haviltex of de CAO-norm? Over de vloeiende overgang en de noodzaak om toch te kiezen’, WPNR 6579 (2004), p. 407-415.
Hof ’s-Hertogenbosch 13 oktober 2009, JOR 2010/147; Rb. Maastricht 1 juni 2011, JOR 2011/357; Rb. Arnhem 10 oktober 2002, JOR 2003/31; Rb. ’s-Gravenhage 7 oktober 2009, LJN BL3877; S.C.J. Koning, ‘De aansprakelijkheid uit artikel 403 BW 2’, in: Liber Amicorum NBW, Arnhem: Gouda Quint 1991, p. 28.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2009, JOR 2009/160; Hof Amsterdam 12 januari 2010, JOR 2010/93 en 2010/94; Rb. Breda 26 mei 2010, JOR 2012/70; J.P.H. Zwemmer, ‘De 403-verklaring en de aansprakelijkheid voor uit arbeidsovereenkomsten (en andere duurovereenkomsten) voortvloeiende verplichtingen’, Ondernemingsrecht 2011/45.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2009, JOR 2009/160. In de ingetrokken verklaring was een temporele beperking opgenomen. De latere, uit te leggen verklaring bevatte die beperking niet. Uit de eerdere verklaring mocht volgens het hof niet worden afgeleid dat ook voor de latere verklaring een beperking gold.
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447 (AKZO Nobel/ING); Hof Amsterdam 30 september 2010, JOR 2010/306; Rb. ’s-Gravenhage 7 oktober 2009, LJN BL3877.
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447 (AKZO Nobel/ING); Hof Amsterdam 12 januari 2010, JOR 2010/93 en 2010/94; Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2009, JOR 2009/160; Rb. Arnhem 10 oktober 2002, JOR 2003/31.
Zie in gelijke zin Asser/Maeijer 2-III 2000/438; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/583; Ramanna 2008, p. 18; Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2009, JOR 2009/279; Rb. Arnhem 10 oktober 2002, JOR 2003/31; Beckman 1995, p. 535, die overigens als wenselijk recht verdedigt dat de aansprakelijkheid beperkt is tot schulden uit rechtshandelingen die zijn aangegaan na het depot van de jaarrekening over het voorafgaande boekjaar.
De groepsvrijstelling deed in 1971 zijn intrede in het Nederlandse recht, destijds als artikel 38a van de Wet Jaarrekening Ondernemingen. Later was de regeling neergelegd in artikel 2:343 Oud BW jo. artikel 57 Oud WvK en daarna in artikel 2:215 BW. Bij Wet van 7 december 1983, Stb. 663 werd de groepsvrijstellingsregeling overgebracht naar artikel 2:403 Oud BW. De beëindiging van de aansprakelijkstelling werd bij Wet van 12 december 1985, Stb. 456 overgebracht naar artikel 2:404 Oud BW. Art. 2:403 BW is wederom aangepast bij Wet van 10 november 1988, Stb. 571 en bij Wet van 13 december 1989, Stb. 1990, 1. Zie voor de wetgevingsgeschiedenis van art. 2:403 e.v. ook de conclusie van AG Wesselingvan Gent bij HR 24 februari 2006, JOR 2006/95 (ACM/Albert Heijn) en Asser/Maeijer 2-III 2000/438.
Vierde Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54 lid 3 sub g van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (78/660/EEG). De Richtlijn vereist slechts een garantstelling en niet, zoals de Nederlandse implementatie, een hoofdelijke aansprakelijkstelling.
Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2001/53; Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2009, JOR 2009/279; Rb. Arnhem 10 oktober 2002, JOR 2003/31.
Zie ook Beckman 1995, p. 535 en Kamerstukken II 1992-1993, 22 896, nr. 3, p. 25. Beckman acht het echter wenselijk dat bij eerste toepassing van de 403-verklaring de aansprakelijkheid voor bestaande schulden beperkt wordt tot schulden uit rechtshandelingen die zijn aangegaan na het depot van de jaarrekening over het voorafgaande jaar en dat de aansprakelijkheid voor toekomstige schulden slechts geldt tot het depot van de jaarrekening over het lopende boekjaar, tenzij tot continuering van het groepsregime wordt besloten.
Handelingen II 1970-1971, p. 2979. Zie ook Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs 1993, p. 853; Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050; H.J. Jansz, ‘Enige vragen rond de verklaring van aansprakelijkstelling’, TVVS 1973/2, p. 36.
R.M. Wibier, ‘403-perikelen vanuit een goederenrechtelijk perspectief’, Ondernemingsrecht 2008/52.
Kruisinga en Leber 2010, p. 14.
De Kluiver 2002, p. 100.
262. De 403-verklaring is een eenzijdige, ongerichte rechtshandeling. Dit roept vragen op over de uitleg van dergelijke verklaringen. Doordat geen sprake is van een gemeenschappelijke partijbedoeling, kan de Haviltex- en DSM/Fox-jurisprudentie niet onverkort worden toegepast. De vraag naar uitleg is relevant, nu de reikwijdte van de aansprakelijkheid afhangt van de uitleg van de verklaring.
In de SNS-beschikking besliste de Hoge Raad dat het Hof door de 403-verklaring objectief uit te leggen de juiste maatstaf had gehanteerd.1 In aanmerking moet worden genomen dat een 403-verklaring een niet tot een bepaalde partij gerichte, eenzijdige rechtshandeling is, waarbij derden geen invloed hebben op haar bewoordingen en dat de overwegingen die ten grondslag liggen aan de wijze waarop de betrokken bepalingen zijn geredigeerd, voor derden niet kenbaar zijn. Met zijn verwijzing naar ‘objectieve maatstaven’ lijkt de Hoge Raad op 403-verklaringen dus de CAO-norm uit het overeenkomstenrecht te willen toepassen.2 Die norm houdt in dat in beginsel de bewoordingen doorslaggevend zijn, gelezen in het licht van de gehele tekst van het uit te leggen instrument. Deze norm wordt behalve op overeenkomsten ook toegepast op andere geschriften en verhoudingen waarvan de aard meebrengt dat bij die uitleg in beginsel objectieve maatstaven centraal dienen te staan.3 Het gaat hierbij om documenten waaraan partijen worden gebonden die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling en totstandkoming, en waarbij het evenmin mogelijk is om in een individueel geval af te wijken van het document.4 De 403-verklaring is zo’n document. De beslissing van de Hoge Raad in de SNS-zaak is dus mijns inziens terecht.
263. Uitleg naar objectieve maatstaven van een 403-verklaring houdt in, eerdere jurisprudentie in aanmerking genomen, dat de gekozen bewoordingen in beginsel leidend zijn.5 Het gaat hierbij niet om de bewoordingen sec, maar om hoe de bewoordingen in redelijkheid door een derde kunnen of dienen te worden begrepen.6 De uitleg van een 403-verklaring mag niet worden gebaseerd op een eerdere, ingetrokken verklaring.7
Naast de bewoordingen van de verklaring speelt de strekking van de wettelijke regeling een rol, namelijk het doel van bescherming van crediteuren tegen gebrekkig inzicht in de financiële positie van de vrijgestelde vennootschap.8 Die strekking mag echter niet tot uitgangspunt worden genomen.9 Welk gewicht moet worden toegekend aan de strekking van de wettelijke regeling, is een vraag die onder meer speelt in de discussie over de temporele reikwijdte van de 403-verklaring. Niet is uitgemaakt, of de verklarende vennootschap aansprakelijk is voor schulden van de vrijgestelde vennootschap die al bestaan op het moment van deponering van de 403-verklaring. Een tweede categorie van schulden waarover discussie bestaat zijn de schulden die na deponering ontstaan, maar die voortvloeien uit een rechtshandeling (zoals een duurovereenkomst) die is verricht voor deponering. In veel gevallen neemt de verklarende vennootschap in zijn 403-verklaring letterlijk de bewoordingen over uit de wettekst. Uit die bewoordingen (“Vennootschap Y is hoofdelijk aansprakelijk voor de uit rechtshandelingen van vennootschap X voortvloeiende schulden”) kan worden afgeleid dat ook bestaande schulden en uit reeds verrichte rechtshandelingen voortvloeiende schulden onder het bereik van de verklaring vallen. Dat is wellicht niet de bedoeling van de verklarende vennootschap. Evenzeer kan worden bediscussieerd of de strekking van art. 2:403 lid 1 sub f BW is om ook bestaande schuldeisers te beschermen. Mijns inziens vallen ook bestaande schulden en schulden die voortvloeien uit voor deponering verrichte rechtshandelingen onder het bereik van een 403-verklaring die de letterlijke bewoordingen van de wettekst heeft overgenomen. Dit volgt uit de grammaticale interpretatie van de formulering van de verklaring, die in beginsel leidend is en boven een andersluidende strekking van de wetsbepaling gaat. Dat daargelaten, is mijns inziens bescherming van bestaande schuldeisers te verenigen met de strekking van de wettekst. Ook bestaande, nog niet voldane schuldeisers hebben belang bij inzicht in de financiële gegevens van hun schuldenaar en verdienen compensatie voor het gebrek aan transparantie als gevolg van het groepsregime.10
De verklarende vennootschap kan de temporele reikwijdte van de 403-verklaring beperken. Verbintenisrechtelijk zal dit tot gevolg hebben dat geen aansprakelijkheid ontstaat voor de uitgesloten schulden. Niet zeker is echter, of met een geclausuleerde 403-verklaring voldaan is aan de eisen voor het groepsregime.
264. Een laatste factor die wordt betrokken in de uitleg van 403-verklaringen is de Europeesrechtelijke oorsprong van art. 2:403 BW. Art. 2:403 BW is in zijn huidige vorm het resultaat van aanpassing van de reeds in het Nederlandse recht opgenomen groepsvrijstellingsregeling11 aan artikel 57 sub c van de Richtlijn 78/660/EEG.12 In de discussie over de temporele reikwijdte van 403-verklaringen wordt bijvoorbeeld uit de richtlijn afgeleid dat ook schulden die voortvloeien uit voor deponering gesloten duurovereenkomsten onder de aansprakelijkheidsverklaring vallen.13 De richtlijn bepaalt dat de moederonderneming zich garant moet verklaren voor de door de dochtermaatschappij aangegane verplichtingen.14 Bartman bekritiseert deze redenering echter, nu de term “aangegane verplichtingen” op aandringen van Nederland in de Richtlijn is opgenomen en overgenomen is uit de op dat moment in Nederland geldende Wet op de Jaarrekening van Ondernemingen (WJO). Bij invoering van de WJO werd niet beoogd om de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen te vergroten ten opzichte van het voordien geldende artikel 42c lid 2 WvK waarin sprake was van verbintenissen die de vennootschap zal aangaan.15
265. In de literatuur is, mijns inziens ten onrechte, verdedigd dat de 403-verklaring moet worden uitgelegd in het voordeel van de verklarende vennootschap. Zo overweegt Wibier dat de 403-verklaring moet worden uitgelegd in het licht van de doelstelling die de moedermaatschappij nastreeft.16 Hieruit volgt volgens hem dat de vordering uit een 403-verklaring niet-overdraagbaar is. Ook Kruisinga en Leber17 benadrukken, evenals De Kluiver,18 dat de bedoeling van degene die de verklaring afgeeft als uitgangspunt moet worden genomen bij de uitleg van de verklaring. De Kluiver leidt dat af uit de overweging van de Hoge Raad in het AKZO Nobel/ING-arrest dat bij de uitleg moet worden gelet op de aard van de verklaring. Die aard is, zo stelt De Kluiver, dat de verklaring rechtstreeks aansprakelijkheid voor de moedermaatschappij doet ontstaan, waardoor háár perspectief moet prevaleren. De strekking van de wettelijke regeling mag wel worden meegenomen, maar moet niet voorop staan. Deze visie is niet langer vol te houden na de expliciete beslissing van de Hoge Raad in de SNS-zaak dat 403-verklaringen naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd. Evenmin is zij mijnsinziens in overeenstemming met het karakter van de 403-verklaring als compensatoire maatregel die de moedermaatschappij welbewust in het leven roept met als doel mogelijke contractspartijen te overtuigen om zaken te doen met een groepsmaatschappij waarvan de liquiditeit moeilijk kan worden ingeschat.