Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/283
283 Verschillende overeenkomsten, dezelfde rechtsverhouding
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 19-01-2026
- Datum
19-01-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD42346:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook A-G Bakels in nr. 2.13 van zijn conclusie vóór het arrest Stet/Braaksma.
Zo begrijp ik ook Faber in zijn noot in JOR onder HR 14 november 2003, JOR 2004/58, NJ 2004, 115 (ING/Bakker). Opgemerkt zij dat de Hoge Raad in dit arrest niet heeft geoordeeld dat geen sprake kan zijn van dezelfde rechtsverhouding als één van de overeenkomsten geen overeenkomst is tussen de debiteur en de pandgever. De Hoge Raad overwoog (zie r.o. 3.3.2) dienaangaande slechts dat gemotiveerd was betwist dat geen sprake was van dezelfde rechtsverhouding en dat daartegenover door de wederpartij geen omstandigheden waren gesteld waaruit volgt dat wel sprake was van dezelfde rechtsverhouding.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 500-501. Vgl. ook De Grooth 1948, nr. 223-225, die reeds voor het oude recht de verrekening van een tegenvordering uit een wederkerige overeenkomst met een overgedragen of verpande vordering uit die overeenkomst verdedigde, gelet op (zie p. 409) “De functioneele afhankelijkheid van de wederzijdsche praestaties uit een wederkeerige overeenkomst (...).”.
Aldus ook Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 542, Faber 2005, nr. 231-239 en 251 en Faber in nr. 2.9 van zijn noot onder Hof ’s-Gravenhage 6 februari 2007, JOR 2007/103 (Citibank/KPN).
Zie voornoemd arrest Stet/Braaksma. Vgl. over dit arrest ook Faber 2005, nr. 253.
Zie Rank 1996, p. 231, Van Gaalen 1996, p. 43-44, Mijnssen 2003, p. 134 en Asser/Mijnssen/Van Velten/Van Mierlo 3-III 2003, nr. 142.
Vgl. Rank 1996, p. 231.
Of twee vorderingen kunnen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding in de in art. 6:130 lid 1 BW bedoelde zin indien zij niet voortvloeien uit dezelfde overeenkomst én de wet niet bepaalt dat de vordering(en) in verband met dezelfde overeenkomst ontstaat (ontstaan), kan uit de wetsgeschiedenis van dat artikel niet worden afgeleid.1 Kan bijvoorbeeld sprake zijn van ‘dezelfde rechtsverhouding’ als de verpande vordering en de tegenvordering zijn voortgevloeid uit twee verschillende wederkerige overeenkomsten? Van dezelfde rechtsverhouding kan geen sprake zijn indien één van de overeenkomsten geen overeenkomst is tussen de debiteur en de pandgever, ook niet als een uit een dergelijke overeenkomst voortgekomen vordering door bijvoorbeeld subrogatie wel een vordering tussen de debiteur en de pandgever geworden is. De vordering vloeit in zo een geval niet voort uit een rechtsverhouding tussen de pandgever en de debiteur.2
Wat uit de wetsgeschiedenis wel kan worden afgeleid is de ratio van het vereiste ‘voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding’. Een debiteur van een vordering zal verwachten dat hij zijn schuld mag verrekenen met een toekomstige tegenvordering die verband houdt met zijn schuld.3 Met het vereiste is bedoeld deze op connexiteit gebaseerde en daardoor gerechtvaardigde verwachting te honoreren, ook na cessie of verpanding van de vordering op de debiteur.4
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat van dezelfde rechtsverhouding in de in art. 6:130 lid 1 BW bedoelde zin sprake kan zijn indien de vordering die onder bijzondere titel is overgegaan en de tegenvordering voortvloeien uit twee verschillende wederkerige overeenkomsten tussen de (oorspronkelijke) schuldeiser en de debiteur van de vordering, mits tussen de vorderingen voldoende samenhang bestaat. Of tussen de beide vorderingen voldoende samenhang bestaat moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.5,6
Dát er voldoende samenhang is, lijkt niet te snel te mogen worden aangenomen;7 onvoldoende is enige samenhang tussen de beide vorderingen.8 Een meer zekerheid biedend criterium dan ‘voldoende samenhang’ is er naar geldend recht niet. De rechter (in feitelijke instantie) zal zich in voorkomend geval een beeld moeten vormen van de mate van samenhang tussen de bronnen waaruit de verpande dan wel gecedeerde vordering en de tegenvordering zijn voortgevloeid.