Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.8.3
II.4.8.3 Lidmaatschapsrechten in coöperaties
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS500346:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 juni 1976, BNB 1976/200 (concl. A-G Van Soest; m.nt. C.P. Tuk); HR 30 juni 1976; BNB 1976/201 (concl. A-G Van Soest; m.nt. C.P. Tuk); HR 17 februari 1993, BNB 1993/125 (concl. A-G Van Soest); HR 20 december 2000, BNB 2001/125 (concl. A-G Van den Berge; m.nt. A.L.C. Simons); HR 12 maart 2004, BNB 2004/215 (m.nt. M.E. van Hilten).
Zie R.F.W. van Brederode, De bijzondere positie van de landbouw in de omzetbelasting (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 1993, p. 185-190.
C.P. Tuk, annotatie bij: HR 30 juni 1976, BNB 1976/200 (concl. A-G Van Soest; m.nt. C.P. Tuk); D.B. Bijl, ‘Uitkeringen van coöperatieve verenigingen aan leden: gevolgen voor de omzetbelasting’, WFR 1976/953; R.F.W. van Brederode, De bijzondere positie van de landbouw in de omzetbelasting (diss. Amsterdam UvA), Deventer: Kluwer 1993, p. 223-228; A.L.C. Simons, annotatie bij: HR 20 december 2000, BNB 2001/125 (concl. A-G Van den Berge; m.nt. A.L.C. Simons). Zie voor een ander geluid: L.J.M. Nouwen, ‘Nogmaals fiscus en coöperatie’, WFR 1976/961; M.E. van Hilten, annotatie bij: HR 12 maart 2004, BNB 2004/215 (m.nt. M.E. van Hilten).
HvJ 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats; m.nt. C.P. Tuk), Zie ook: HR 10 juni 1981, BNB 1981/233 (m.nt. C.P. Tuk).
HR 11 januari 2008, BNB 2008/133 (m.nt. R.N.G. van der Paardt; NTFR 2008/165; m.aant. H.J. de Boer).
De Hoge Raad heeft in een aantal arresten geoordeeld dat winstuitkeringen door coöperaties behoren tot de vergoeding voor prestaties als zij geschieden naar rato van door de leden geleverde of afgenomen prestaties.1 De reden voor een dergelijke wijze van winstverdeling kan zijn gelegen in het aan coöperaties van oudsher toegeschreven uitgangspunt van evenredigheid: de baten en lasten van de coöperatie komen ieder lid toe naar de mate waarin hij deelneemt aan de coöperatieve activiteiten.2
In de literatuur is kritiek geuit op de hiervoor bedoelde arresten van de Hoge Raad.3 Naar mijn mening treft die kritiek doel. Het uitgangspunt zou namelijk moeten zijn dat alleen betalingen binnen contractuele rechtsverhoudingen tot het onderkennen van enige vergoeding in de zin van artikel 8 Wet OB 1968 aanleiding kunnen geven. Winstuitkeringen aan leden van een coöperatie vinden daarentegen plaats binnen een lidmaatschapsrelatie. Onduidelijk is ook waarom het verschil zou moeten maken of een coöperatie winsten uitkeert aan leden naar rato van door hen verrichte of afgenomen prestaties of dat een coöperatie besluit leden in enig jaar gratis gebruik te laten maken van voorzieningen van de coöperatie. In het arrest in de zaak Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats is beslist dat de aanwending van (winst)reserves voor een dergelijk gratis gebruik geen vergoeding voor een prestatie impliceert.4
Naar het mij voorkomt heeft de Hoge Raad in BNB 2008/133 enige afstand genomen van zijn hiervoor besproken jurisprudentie.5 In dit arrest gaat het over de omzetting van een coöperatie in een besloten vennootschap en toekenning van aandelen in die besloten vennootschap aan leden van de coöperatie en andere toeleveranciers. De Hoge Raad acht geen vergoeding aanwezig bij de toekenning van aandelen aan leden, terwijl die toekenning geschiedt naar rato van door de leden in het verleden aan de coöperatie verrichte prestaties. Volgens de Hoge Raad zijn de toekenningen van aandelen aan leden echter een rechtstreeks gevolg van de juridische omzetting en niet rechtstreeks gerelateerd aan leveringscontracten.