Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/103:103 Voorwaardelijke eigendom past in het BW
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/103
103 Voorwaardelijke eigendom past in het BW
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD25069:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander bezwaar dat tegen de fiduciaire eigendomsoverdracht is aangevoerd, is de splitsing van eigendom over meerdere subjecten die van een fiduciaire eigendomsoverdracht het gevolg zou zijn. De zekerheidsgever behoudt een voorwaardelijk eigendomsrecht op het door hem overgedragen goed. Gevolg zou een verdeling van de eigendom over twee subjecten zijn. Een overdracht waarbij niet alle aan een eigenaar toekomende bevoegdheden met betrekking tot het goed overgingen op de verkrijger werd ongewenst geacht, vanwege de onduidelijkheid over goederenrechtelijke posities die zou kunnen ontstaan.1
Opmerking verdient dat een eigendomsoverdracht onder voorwaarde niet als een splitsing van eigendom gezien hoeft te worden, maar ook zo kan worden voorgesteld dat de ‘eigenaar onder opschortende voorwaarde’ geen eigenaar is, maar een positie heeft die vergelijkbaar is met die van een beperkt gerechtigde; zie paragraaf 4.4.3. Daar is tevens uiteengezet waarom een dergelijke ‘eigendomssplitsing’ mijns inziens niet bezwaarlijk is. Hier volstaat een verwijzing naar hetgeen hierover in die paragraaf is gezegd.
De wetgever van het huidig BW lijkt tegen handhaving van de figuur van eigendom onder voorwaarde geen bezwaar te hebben gehad, getuige de mogelijkheid van overdracht onder voorwaarde2 en de regeling van de overdracht onder eigendomsvoorbehoud.3 Van een onduidelijke verdeling van de aan een eigenaar toekomende bevoegdheden is in geval van eigendom onder voorwaarde geen sprake, als men met mij aanneemt dat de beide ‘eigenaars’ elk volledig bevoegd zijn om over hun aan een voorwaarde onderworpen recht te beschikken; zie paragraaf 4.4.3.