Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/272
272 Mededeling als scheidslijn
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD40698:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Faber 2005, nr. 238 en 278.
Vgl. Faber 2005, nr. 238.
Zo ook Reehuis 1987, nr. 394.
Stille cessie heeft voor de verrekeningsbevoegdheden van een schuldenaar dezelfde gevolgen als stille verpanding. Vgl. Kamerstukken II 2003/04, 28 878, nr. 5, randnummer 10 en Faber 2005, nr. 239. Zie ook Biemans 2006, nr. 8. Het is wenselijk dat de wetgever in art. 6:130 BW tot uitdrukking brengt dat de verrekeningsbevoegdheid van de debiteur van de gecedeerde vordering eerst wordt beperkt door de mededeling aan hem van de cessie en niet reeds door de overgang van de vordering.
Zolang het pandrecht op de vordering niet aan de debiteur is medegedeeld op de voet van art. 3:239 lid 3 BW ondergaat diens bevoegdheid om zich tegenover zijn schuldeiser, de pandgever, op verrekening te beroepen geen wijziging. Dit geldt ook als de debiteur, ondanks dat deze mededeling nog niet aan hem is gedaan, van het pandrecht op de hoogte is.1 De debiteur van een stil verpande vordering kan zich jegens zijn schuldeiser, de pandgever, op verrekening beroepen als aan de voor verrekening geldende algemene vereisten is voldaan. Hij kan die verrekening vervolgens aan de pandhouder tegenwerpen, ook nadat het pandrecht aan de debiteur is medegedeeld.2
Dat de vestiging van een pandrecht op een vordering de verrekeningsmogelijkheden van de debiteur van een vordering ongewijzigd laat tot het moment waarop het pandrecht aan hem is medegedeeld, is in overeenstemming met de omstandigheid dat de pandgever tot dat moment inningsbevoegd is.3
Het is ook redelijk dat de debiteur geen beperking van zijn verrekeningsmogelijkheden ondervindt zolang hij zijn vordering dient te voldoen aan de pandgever, temeer daar hij van de verpanding van de vordering veelal onkundig zal zijn zolang het pandrecht aan hem niet is medegedeeld, zodat hij tot dat tijdstip in veel gevallen geen rekening zal houden - en ook niet behoeft te houden - met een beperking van zijn verrekeningsbevoegdheid.4
Ex art. 6:130 lid 1 en 2 BW kan de debiteur nadat aan hem mededeling van het pandrecht op de vordering is gedaan, zich nog uitsluitend op verrekening beroepen indien zijn tegenvordering op de pandgever waarmee hij zijn schuld uit de verpande vordering wenst te verrekenen (i) op het tijdstip van de mededeling reeds bestond en opeisbaar was of (ii) voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de verpande vordering.