De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.5.8:2.5.8 Verklaring derdenbeslag
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.5.8
2.5.8 Verklaring derdenbeslag
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376764:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 november 2001, NJ 2002/419.
Nr. 2.19 van de Conclusie.
H.J. Snijders, NJ 2002/419; J.J. van Hees, JOR 2002/23; A.I.M. van Mierlo, AAe 2002/4, p. 281.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijz. Rv, Wet RO en Fw, p. 174 (MvT Inv).
De derde-beslagene is na het doen van de verklaring verplicht het volgens de verklaring verschuldigde aan de deurwaarder te voldoen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
91. Als derdenbeslag is gelegd, is de derde op grond van art. 476a Rv verplicht om een verklaring af te leggen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Deze verklaring is een proceshandeling. Naar aanleiding van het arrest De Jong Vlees/Carnifour1 hebben sommige auteurs aangenomen dat een verklaring derdenbeslag een rechtshandeling is. De Hoge Raad nam aan dat het de derde vrijstaat zijn verklaring te herroepen of te wijzigen en dat hij niet verplicht is om te voldoen wat hij volgens de verklaring is verschuldigd. Dit is in overeenstemming met het mijns inziens feitelijke karakter van de verklaring. Aangevoerd was dat de beslagcrediteur op grond van art. 3:35 jo. 3:36 BW gerechtvaardigd had vertrouwd op de verklaring van de derde en dat die daarom tot betaling was gehouden. De Hoge Raad wijst dit af en overweegt dat art. 3:35 jo. 3:36 BW via de schakelbepaling van art. 3:59 BW wel van overeenkomstige toepassing kunnen zijn buiten het vermogensrecht, maar dat de rechter daar uitermate voorzichtig mee moet zijn. A-G Wesseling-van Gent kwalificeert een verklaring derdenbeslag echter als een rechtshandeling, waar art. 3:35 en 3:36 BW niet analoog via art. 3:59 BW, maar rechtstreeks op van toepassing zijn.2 Ook H.J. Snijders neemt dit aan in zijn NJ-noot.3 Deze auteurs baseren zich op de parlementaire geschiedenis, waarin wordt overwogen dat een verklaring in de zin van art. 476a Rv een tot een persoon gerichte verklaring is, waarop art. 3:35 en art. 3:36 BW van toepassing zijn.4 Dit is mijns inziens niet juist. De verklaring derdenbeslag is een proceshandeling en bovendien een verklaring van feitelijke aard, waarin de derde een weergave geeft van hetgeen hij is verschuldigd aan de beslagdebiteur. Hij kan zijn verklaring herroepen en wijzigen in het geval die weergave niet in overeenstemming blijkt met de werkelijkheid. Dat sprake is van een tot een persoon gerichte verklaring, brengt niet met zich dat de verklaring een rechtshandeling is. Er is geen wilsverklaring met beoogd rechtsgevolg. Het rechtsgevolg dat intreedt na het (voldoen aan de verplichting tot het5 ) afleggen van de verklaring,6 staat los van enig oogmerk van de derde. Het rechtsgevolg wordt door de wet verbonden aan de feitelijke weergave in de verklaring.