Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/167
167 Het arrest Zuidgeest/Furness
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD23355:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 1997, JOR 1998/40 m.nt. J.J. van Hees, NJ 1998, 690 m.nt. WMK.
Ook Verhagen en Rongen 2000, p. 121, merken op dat de Hoge Raad in dit arrest uitsluitend oordeelde over de situatie waarin het vorderingen op één debiteur betreft.
Idem Verhagen en Rongen 2000, p. 123.
Aldus Beuving 1998 in haar bespreking van het arrest.
In het arrest Zuidgeest/Furness was sprake van openbare cessie. In deze paragraaf blijft de stille cessie zoals wij die thans kennen (art. 3:94 lid 3BW) buiten beschouwing. Zie over de inningsbevoegdheid van de cedent en de cessionaris na stille cessie par. 4.4.5 hiervóór.
Is aan het individualiseringsvereiste voldaan indien een aantal vorderingen met een totaalbedrag van bijvoorbeeld € 1.000.000, wordt verpand tot een lager bedrag van bijvoorbeeld € 600.000, indien niet duidelijk is welke (deel)vorderingen met een gezamenlijk beloop van € 600.000 worden verpand? In het arrest Zuidgeest/Furness1 oordeelde de Hoge Raad dat in zo een geval voldaan kan zijn aan het goederenrechtelijke bepaaldheidsvereiste, in ieder geval als het, zoals in dat arrest het geval was, vorderingen betreft op één debiteur.2
Indien het er in een dergelijk geval voor moet worden gehouden dat niet alle vorderingen (met een totaal beloop van € 1.000.000) worden verpand, maar een deel van die vorderingen (met een gezamenlijk beloop van € 600.000), is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste, omdat op het moment van het ontstaan van het pandrecht de verpande vorderingen niet individualiseerbaar zijn;3 zij zouden dat eerst zijn vanaf het moment dat zij zijn geïnd. Daarbij maakt het geen verschil of het vorderingen betreft op één debiteur, zoals in het arrest Zuidgeest/Furness, of vorderingen op meerdere debiteuren.
Het oordeel van de Hoge Raad kan in het licht van de vereiste individualiseerbaarheid op het moment van het ontstaan van het pandrecht (casu quo, zoals in dit arrest in geval van cessie, van de overgang van de vordering naar het vermogen van de cessionaris), op twee manieren worden verklaard. De eerste mogelijke verklaring is dat de Hoge Raad het vereiste van individualiseerbaarheid over het hoofd heeft gezien en derhalve een misslag heeft begaan. De tweede mogelijke verklaring is dat de Hoge Raad oordeelt dat alle vorderingen in hun geheel zijn overgedragen.4 In dat geval is voldaan aan het vereiste van individualiseerbaarheid. Dan rijst echter de vraag hoe kan worden verklaard dat de cedent (nog of wederom) inningsbevoegd is indien de cessionaris het hem toekomende heeft geïnd.5