Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.10
2.4.10 Besluit van een rechtspersoon
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379220:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 5.7, J.B. Huizink; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/290; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 298.
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 57 en 60; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 5.8, J.B. Huizink. Anders: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/ 313, waar gesteld wordt dat een besluit van een meerhoofdig orgaan gezien kan worden als een meerzijdige rechtshandeling. Huizink merkt op dat sommige besluiten geen rechtshandeling zijn, Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 5.2.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 22.4.1, J.B. Huizink; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 170 en 315.
HR 20 maart 1941, NJ 1941/542; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:134 BW, aant. 21, J.B. Huizink.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 315.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*2009/431; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:132 BW, aant. 9, J.B. Huizink; HR 29 november 1996, JOR 1997/28. Anders: J.M. Blanco Fernandez, ‘Rechtspositie en aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen’, Ondernemingsrecht 2000, par. 2.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:134 BW, aant. 2.5, J.B. Huizink; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 170. Idem voor schorsing.
De uitgifte is een meerzijdige rechtshandeling: de vennootschap doet een aanbod, dat door de aandeelhouders aanvaard wordt.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:107a BW, aant. 4, C.A. Schwarz.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:19 BW aant. 3 en 5, B. Snijder-Kuipers.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/ 365; HR 10 maart 1995, NJ 1995/595 (Janssen Pers).
J.B. Huizink, ‘Perikelen rond de besluitvorming van aandeelhouders’, WPNR 6205 (1995), p. 838.
HR 19 december 2014, JOR 2015/33; Hof ’s-Gravenhage 23 augustus 2011, JOR 2011/327; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:19 BW aant. 3, B. Snijder-Kuipers.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/365; HR 30 oktober 964,NJ 1965/107.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/307; Van der Grinten 1983, p. 139; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 312.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:15 BW, aant. 4.1, J.B. Huizink.
Asser/Maeijer en Kroeze 2-I* 2015/313.
A.F. Verdam, ‘Toepassing van de dwalingsleer op besluiten van rechtspersonen’, WPNR 6864 (2013).
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 303.
Vgl. het ontwerpartikel 2.1.8 lid 3, Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 139 (TM).
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:16 BW, aant. 4.2, J.B. Huizink; Asser/Maeijer en Kroeze 2-I* 2015/323.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:19 BW, aant. 3, B. Snijder-Kuipers.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 316.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/281; Dumoulin 1999, nr. 28; Van der Heijden/ Dortmond 2013, nr. 225; Van der Grinten, WPNR 5642 (1983), p. 138; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 298.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/281; Van der Heijden/Dortmond 2013, nr. 225.
Van der Grinten, WPNR 5642 (1983), p. 138.
Dumoulin 1999, nr. 28.
Zie hierover nader nr. 302.
62. Een rechtspersoon kent een interne organisatie. De organen die een rechtspersoon krachtens de wet of de statuten heeft, hebben de bevoegdheid om beslissingen te nemen. De stemmen worden uitgebracht door afzonderlijke bestuurders of aandeelhouders, maar uiteindelijk geldt de rechtspersoon als het rechtssubject dat het besluit neemt.1 Een besluit is een eenzijdige rechtshandeling.2 Het wordt aangemerkt als een ‘interne rechtshandeling’, nu het besluitvormingsproces zich afspeelt in de rechtspersoon en het de rechtsverhoudingen binnen de rechtspersoon regelt. Daarnaast hebben sommige besluiten ook externe werking. Dit geldt bijvoorbeeld voor een besluit tot benoeming, décharge, schorsing of ontslag van een bestuurder.3 Deze rechtshandelingen zijn gericht tot de bestuurder.4 Na het besluit van de AVA tot ontslag van de bestuurder, hoeft het ontslag niet nog eens afzonderlijk uitgevoerd te worden.5 Deze besluiten hebben naast een besluitaspect ook een vertegenwoordigingsaspect.6 De juridische relatie tussen de vennootschap en de benoemde komt echter pas tot stand nadat de beoogd bestuurder zijn benoeming (eventueel stilzwijgend) heeft aanvaard.7 Het benoemingsbesluit kan dus worden gezien als een aanbod. Daarentegen hoeft een ontslagbesluit niet te worden aanvaard door de bestuurder.8 De meeste besluiten hebben alleen interne werking. Het besluit tot uitgifte van aandelen moet bijvoorbeeld gevolgd worden door de daadwerkelijke uitgifte.9 Extern werkende besluiten zijn gerichte rechtshandelingen, maar onduidelijk blijft of intern werkende besluiten gericht of ongericht zijn. Het is gekunsteld om aan te nemen dat een besluit dat toegerekend wordt aan de rechtspersoon ook is gericht tot de rechtspersoon. Het verdient mijns inziens de voorkeur om intern werkende besluiten te kwalificeren als ongerichte eenzijdige rechtshandelingen, ook al leidt dat ertoe dat niet op alle besluiten dezelfde regels van toepassing zullen zijn.
Sommige besluiten zijn aan goedkeuring van een ander orgaan onderworpen. Art. 2:107a lid 2 BW bepaalt dat besluiten van het bestuur die zien op een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming zijn onderworpen aan goedkeuring van de algemene vergadering. De bestuursbesluiten opgesomd in art. 2:164/274 BW moeten worden goedgekeurd door de raad van commissarissen. Het ontbreken van goedkeuring is echter een strikt interne aangelegenheid. Het tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan. Het besluit blijft jegens derden rechtsgeldig.10 In de interne verhouding van de rechtspersoon leidt het ontbreken van de vereiste toestemming op grond van art. 2:14 BW tot nietigheid. Het vereiste dat voor een geldig besluit een ander orgaan toestemming moet verlenen, maakt het besluit mijns inziens geen meerzijdige rechtshandeling. De toestemming is een voorwaarde voor geldigheid, maar het toestemming verlenende orgaan wordt geen partij bij de rechtshandeling. Het besluit blijft dus een eenzijdige rechtshandeling.
Besluiten zijn in beginsel vormvrij.11 Voor de uitvoering van sommige besluiten kan wel een vormvoorschrift gelden. Zo moet een besluit tot ontbinding van een in de registers ingeschreven rechtspersoon eveneens worden ingeschreven in die registers. Inschrijving van het besluit is echter geen constitutief vereiste voor geldigheid van het besluit.12
63. Besluiten kunnen worden herroepen door een nieuw besluit.13 Het eerste besluit wordt niet met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt.14 De (rechts)handelingen ter uitvoering van het eerste besluit die nog niet zijn verricht, mogen echter niet meer worden verricht. Voor herroeping van een besluit tot ontbinding van een vennootschap is rechterlijke tussenkomst vereist.15
Dat de redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn op besluiten van de rechtspersoon, blijkt uit art. 2:15 lid 1 sub b BW. Besluiten die in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid zijn vernietigbaar. De toets ziet op zowel de inhoud als de totstandkoming van het besluit.16 Dat is een sanctie die in het algemeen vermogensrecht niet wordt gekoppeld aan strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast geldt de algemene bepaling van art. 2:8 BW, op grond waarvan de rechtspersoon en degenen die bij haar betrokken zijn zich jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. In de literatuur wordt aangetekend dat de vernietigbaarheid van besluiten op grond van de redelijkheid en billijkheid alleen kan worden gevorderd bij schending van die norm in de interne verhoudingen van de rechtspersoon.17 Wat betreft de externe rechtsgevolgen van een besluit gelden voor een rechtspersoon dezelfde standaarden als voor natuurlijke personen.18
Kroeze schrijft ten aanzien van vernietigbaarheid van een besluit op grond van dwaling ten eerste dat een besluit van een meerhoofdig orgaan kan worden aangemerkt als een meerzijdige rechtshandeling. Vervolgens overweegt hij dat ondanks de schakelbepaling van art. 6:216 BW de regel van art. 6:228 BW niet van toepassing is op besluiten. De eigen aard van het besluit als rechtshandeling verzet zich daartegen.19 Verdam20 en Winter en Wezeman menen echter,21 in overeenstemming met de parlementaire geschiedenis,22 dat de dwalingsregeling wel analoog kan worden toegepast.
Art. 2:16 lid 2 BW bepaalt dat bij extern werkende besluiten de nietigheid niet kan worden tegengeworpen aan de wederpartij, als hij het gebrek niet kende en niet behoorde te kennen. De nietigheid van een benoeming van een bestuurder of commissaris kan echter wel aan de benoemde worden tegengeworpen. Op de rechtspersoon rust echter de verplichting tot schadevergoeding, als de benoemde het gebrek kende noch behoorde te kennen. Het gehele contractsbelang moet dan worden vergoed.23
Wat betreft de mogelijkheid van het nemen van een besluit onder voorwaarde schrijft Snijder-Kuipers dat een besluit tot ontbinding van de rechtspersoon kan worden genomen onder ontbindende voorwaarde.24
Een besluit heeft geen goederenrechtelijke rechtsgevolgen. Wel is voorstelbaar dat een besluit verbintenissen schept, bijvoorbeeld tot het uitkeren van schadevergoeding na ontslag van een bestuurder. Winter en Wezeman schrijven dat een extern werkend besluit een aanbod of een aanvaarding kan inhouden.25 Daar kunnen verbintenissen uit voortvloeien. Ten slotte kan de vraag gesteld worden of het nemen van een intern werkend besluit leidt tot de verbintenis om vervolgens uitvoering te geven aan dat besluit. Op het bestuur rust de verplichting om door de AVA genomen besluiten uit te voeren.26 Niet geregeld is echter wat de sanctie is van het niet voldoen aan die verplichting. Als een vordering uit wanprestatie ontstaat, kan de verplichting worden gekwalificeerd als een verbintenis. Als echter het verzaken een onrechtmatige daad oplevert jegens de vennootschap, of kan bijdragen aan een oordeel inzake onbehoorlijke taakvervulling, is de verplichting niet aan te merken als een verbintenis.
In de literatuur noch de rechtspraak is de vraag aan de orde gesteld volgens welke maatstaf besluiten moeten worden uitgelegd.
64. In de literatuur is discussie gevoerd over de vraag of stemuitbrenging een (zelfstandige) eenzijdige rechtshandeling is. De wetgever achtte de vraag alleen praktisch relevant in verband met de geldigheid ervan in het kader van besluitvorming.27Art. 2:13 lid 1 BW geeft daarvoor een regeling, inhoudend dat een stem nietig is in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is, en dat een stem niet kan worden vernietigd.
In de literatuur wordt algemeen aanvaard dat de stem een eenzijdige rechtshandeling is.28 De rechtshandeling is gericht tot de rechtspersoon29 of tot de voorzitter van de vergadering.30 Dumoulin beschouwt de stem als nu eens gericht, nu eens ongericht, naar gelang de stem in of buiten vergadering wordt uitgebracht.31
De stem wordt gezien als een onzelfstandige rechtshandeling, die slechts is gericht op het totstandbrengen danwel verwerpen van een besluit.32 Een vergelijking kan worden gemaakt met de overeenkomst. Het in stemming gebrachte voorstel kan dan worden gezien als een aanbod van het bestuur. Door te stemmen, aanvaarden danwel verwerpen de aandeelhouders het aanbod. Indien de meerderheid van de aandeelhouders aanvaardt, dus vóór het voorstel stemt, komt het besluit tot stand. Aanvaarding wordt echter gezien als een zelfstandige eenzijdige rechtshandeling,33 die opgaat in de overeenkomst en dus een zeer beperkt zelfstandig bestaan lijdt. De stem wijkt af van aanvaarding in het opzicht dat zij wordt uitgebracht door personen die deel uitmaken van een orgaan, terwijl het tot stand te brengen besluit uiteindelijk een rechtshandeling van de rechtspersoon is.