Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/199
199 Onbeperkte verpanding van toekomstige vorderingen?
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26656:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Een pleidooi voor afschaffing is gehouden door Van Buuren 2002, Damkot en Verdaas 2003, Van den Heuvel 2004, p. 168, Verdaas 2005b en Janssen 2006, p. 754-755. Zie over deze vraag ook Westrik 2003, die geen duidelijk ‘pro of contra’ uitspreekt, maar in zijn “epiloog” wel duidelijk maakt geen bezwaar tegen de verruiming van de mogelijkheid tot verpanding van toekomstige vorderingen te hebben.
Zie hoofdstuk 7 hiervóór.
Zie voor een dergelijke inventarisatie ook Damkot en Verdaas 2003, p. 5-9 en Verdaas 2005b, p. 400-404.
Het onderwerp van deze paragraaf is de vraag of beperking van de mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen wenselijk is, ongeacht of de in art. 3:239 lid 1 BW opgenomen beperking van de mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen wordt uitgelegd of wordt aangepast op de in de paragraaf 8.3.1 bepleite wijze.1 Afschaffing van deze beperking zou er toe leiden dat een rechtssubject, gelet op de ruime uitleg die in het huidige recht aan het bepaaldheidsvereiste wordt gegeven,2 al zijn bestaande en toekomstige vorderingen (voor zover nodig bij voorbaat) stil zou kunnen verpanden. Ik zal daartoe de argumenten bespreken die er zijn voor dan wel tegen beperking van de mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen.3