Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.2.0
3.2.0 Introductie
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390360:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit in tegenstelling tot enkele andere Europese rechtstelsels zoals die van de Scandinavische landen, zie Giard 2005, p. 34.
Er moet een antwoord gevonden worden op vier beslissende vragen: (i) is er aansprakelijkheid? (ii) is er causaal verband?; (iii) is er schade en zo ja, wat is de omvang?; en (iv) is er eigen schuld van het slachtoffer? Ook moet er sprake zijn van relativiteit. Giard 2005, p. 34. Zie voor een nadere bespreking van deze criteria paragraaf 3.2.2.
HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267, HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1103, NJ 1991/26 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8711.
Van den Akker 2001, p. 37 en 119. Zie voor de regelgeving voor advocaten de Advocatenwet en de Gedragsregels voor advocaten van de NOvA. De zorgplicht voor medici is vastgelegd in art. 7:453 BW. Daarnaast geldt dat ziekenhuizen veelal een protocol hebben waarin de zorgplichten beschreven staan. Ook zijn er richtlijnen en standaarden. Ongemotiveerd hiervan afwijken levert een schending van de zorgplicht op, zie Meyst-Michiels 2007, p. 294. Voor architecten gelden ook beroepsregels. Deze zijn vastgelegd in verschillende richtlijnen en adviezen. Ook maken architecten veel gebruik van algemene voorwaarden. Deze standaard algemene voorwaarden worden uitgevaardigd door de BNA en heten De Nieuwe Regeling 2005 (DNR 2005). In art. 1 DNR 2005 staat beschreven wanneer er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van een architect: indien de zorgplicht is geschonden, zie Van Wijngaarden & Chao-Duivis 2004b, p. 36.
Timmerman 2016b, p. 326.
Hoekstra & Van Rijckevorsel-Teeuwen 2014, p. 78.
Conclusie A-G Langemeijer voor HR 7 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1304, RvdW 2003/47.
Zie hierover nader paragraaf 3.2.1.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8711.
Deze norm zal uiteindelijk terug te voeren zijn op de beroepsregels die voortvloeien uit de voor de specifieke beroepsgroep geldende wettelijke bepalingen, protocollen, richtlijnen en (ongeschreven) zorgvuldigheidsnormen.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8711.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8711, r.o. 5.16.
In sommige gevallen kan een beroepsbeoefenaar ook strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor een fout die hij heeft gemaakt. Dit komt het meest voor bij artsen, zie Giard 2005, p. 33. Ook strafrechtelijke aansprakelijkheid kan echter niet beperkt worden door het gebruik van een bepaalde rechtsvorm (dit is immers een civielrechtelijke beperkingsconstructie) en zal daarom niet nader besproken worden in dit onderzoek.
Alsmede voor de beantwoording van de hoofdvraag die centraal staat in dit onderzoek.
Tuchtrecht heeft geen civielrechtelijke werking. De civiele rechter mag zich tijdens een procedure niet baseren op een uitspraak van de tuchtrechter. Ingewikkeld is dat hij deze uitspraak echter ook niet mag negeren (zie HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003/151). In de praktijk komt het daarom vaak voor dat eerst een tuchtrechtelijke procedure wordt gevoerd om te kijken of de beroepsgroep zelf vindt dat een beroepsfout is gemaakt (de zorgvuldigheidsnorm is geschonden). Een positieve uitspraak zou dan een indicatie kunnen zijn dat een civielrechtelijke procedure ook kans van slagen heeft. Er kan daarom wel gesteld worden dat het tuchtrecht een normerende werking heeft met betrekking tot het civiele recht. Zie hierover ook Uhlenbroek & Mooibroek 2014.
Vooropgesteld moet worden dat de (beroeps)aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren naar Nederlands recht meestal de vorm heeft van schuldaansprakelijkheid (persoonlijke aansprakelijkheid) en niet van risicoaansprakelijkheid.1 Het verschil tussen deze twee vormen van aansprakelijkheid is dat bij risicoaansprakelijkheid het enkele feit dat schade is geleden (door een derde) voldoende is om een plicht tot schadevergoeding te laten ontstaan, ongeacht of deze schade is veroorzaakt door een toerekenbare persoonlijke fout. Dit is bij schuldaansprakelijkheid niet het geval. Hierbij moet (altijd) sprake zijn van een toerekenbare persoonlijke fout. Daarnaast moet nog aan een aantal andere voorwaarden worden voldaan.2
In de meeste literatuur over beroepsaansprakelijkheid – maar ook in de jurisprudentie – staat één begrip centraal: de zorgvuldigheidsnorm. Om vast te stellen of een beroepsbeoefenaar een norm heeft overtreden, neemt de Hoge Raad (in civiele procedures) als maatstaf of hij of zij de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelende vakgenoot in acht heeft genomen.3
Met andere woorden: de beroepsbeoefenaar moet hebben gehandeld zoals een redelijk handelende, redelijk bekwame beroepsgenoot gehandeld zou hebben onder dezelfde omstandigheden. Hoe weet men hoe een redelijk handelende, redelijk bekwame beroepsgenoot gehandeld zou hebben? Wat is de norm?
In de praktijk wordt vaak een antwoord op deze vraag gevonden in de (voor de specifieke beroepsgroep geldende) beroepsregels. Zo bevatten bijvoorbeeld de Gedrags- en beroepsregels voor accountants 2014 regels met betrekking tot de eisen die bij de controle van een jaarrekening aan de accountant worden gesteld. Ook in de Wna zijn regels vastgelegd waaraan de notaris zich dient te houden bij de uitoefening van zijn beroep.4 Anders dan bijvoorbeeld bij de bancaire zorgplicht, zijn de algemene zorgvuldigheidsnormen voor de beroepsbeoefenaren (derhalve) redelijk uitgekristalliseerd en vindt de inkleuring daarvan voornamelijk plaats in de feitelijke instanties.5 De vraag of sprake is van een beroepsfout wordt ook steeds meer bezien vanuit de context van de specifieke omstandigheden van het geval.6 Daarnaast blijkt uit de jurisprudentie dat de term ‘vakgenoot’ (in de zorgvuldigheidsnorm) impliceert dat voor een beroepsbeoefenaar die zich profileert als specialist op een bepaald terrein een strengere norm geldt dan voor een generalist.7
Als er sprake is van een contractuele verhouding tussen partijen8 komt het tevens aan op de invulling van de in artikel 7:401 BW vervatte norm dat een opdrachtnemer (de beroepsbeoefenaar) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Ook hier bepalen de omstandigheden van het geval of aan die norm is voldaan. In een dergelijk geval is in het bijzonder (ook) de inhoud van de opdracht bepalend. Daarnaast moet de opdrachtnemer de cliënt desgevraagd en ook uit eigen beweging van informatie voorzien, waarbij de omvang van die informatieverplichting afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van de opdrachtgever.9
Ook het tuchtrecht speelt een belangrijke rol bij het vaststellen en handhaven van de norm(en). Bij deze vorm van rechtspraak oordeelt een tuchtcollege, bestaande uit een of meer beroepsbeoefenaren zelf en een of meer onafhankelijke leden (rechters), namens de gehele beroepsgroep of een collega in hun ogen een norm10 heeft overtreden. De beroepsgroep bepaalt hierbij in feite dus hoe, volgens die beroepsgroep zelf, een redelijk bekwam en redelijk handelende vakgenoot onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou (moeten) hebben. Ook hier wordt de zorgvuldigheidsnorm dus als maatstaf genomen. In het tuchtrecht behoort aansprakelijkheid (en daarmee schadevergoeding voor de benadeelde) echter niet tot de mogelijke sancties. Wel kan de beroepsbeoefenaar die een fout heeft gemaakt via het tuchtrecht terecht worden gewezen door middel van een maatregel. Deze maatregel kan bestaan uit een waarschuwing, berisping, geldboete, schorsing of een tijdelijke dan wel permanente ontzetting uit het beroep of het ambt (beroepsverbod). Het Hof Arnhem-Leeuwarden geeft in zijn uitspraak van 17 november 201511 een, naar mijn mening, heldere beschrijving van het doel en de functie van het tuchtrecht alsmede van de verhouding tot (invulling van) de civielrechtelijke (beroeps)aansprakelijkheid:
‘Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren, zoals accountants, heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, een maatregel kan worden opgelegd. Hiermee strookt dat deze procedure niet in de eerste plaats ertoe dient de klager ingeval van gegrondbevinding van zijn klacht genoegdoening te verschaffen, ook al kan dit wel het feitelijke resultaat zijn. Evenzo kan het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsbeoefenaar in een civiele procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is, en deze omstandigheid kan een belanghebbende (mede) aanleiding geven een klacht in te dienen, maar dit betekent niet dat een tuchtprocedure tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar vast te stellen. In dit verband is van belang dat bij de beoordeling van de vraag of een tuchtklacht gegrond is andere maatstaven worden gehanteerd dan bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid, alsmede dat de mede ter bescherming van een gedaagde in een civiele procedure strekkende bewijsregels niet gelden in een tuchtprocedure (HR 10 januari 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF0690, NJ 2003, 537, r.o. 3.3). De civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm is dus een andere dan de tuchtrechtelijke zorgvuldigheidsnorm, maar wel dient het oordeel van de civiele rechter over de aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar in het licht van het tuchtrechtelijke oordeel voldoende begrijpelijk te zijn (HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003, 151 r.o. 3.6.3).’12
Omdat een derde (cliënt of patiënt) een beroepsbeoefenaar dus op grond van het tuchtrecht niet aansprakelijk kan stellen (hij kan slechts een klacht indienen) en derhalve via deze procedure ook zijn schade niet vergoed kan krijgen, zal dit onderzoek beperkt blijven tot de bespreking van de civiele aansprakelijkheidsgronden op basis waarvan een beroepsbeoefenaar aansprakelijk kan worden gesteld. Het risico om op grond van het tuchtrecht aangesproken te worden, kan bovendien in geen geval worden beperkt of uitgesloten door het gebruik van een bepaalde rechtsvorm.13 Er is tenslotte geen sprake van aansprakelijkheid tegenover een contractspartij of derde, maar van verantwoording tegenover de eigen beroepsgroep. Ook daarom is de bespreking van het tuchtrecht voor een antwoord op de centrale vraag in dit hoofdstuk14 slechts indirect van belang vanwege de gevolgen van het tuchtrecht voor het aansprakelijkheidsrecht (de zogenoemde normerende werking).15