Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/237
237 Art. 58 Fw is van toepassing op de inning van verpande vorderingen
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 19-11-2025
- Datum
19-11-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD34455:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie r.o. 3.4.
De volgende auteurs waren reeds voor het arrest ING/Verdonk van mening dat art. 58 Fw van toepassing is op verpande vorderingen: Reehuis 1987, nr. 434, Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 833-833a, Molkenboer en Verdaas 2002, p. 210, Rongen 2002b, p. 12-13, Polak/Wessels 2003 (III), par. 3474, Warringa en Winkel 2005, Kraamwinkel 2006, Rb. Leeuwarden 4 oktober 2006, JOR 2007/305 (ING/Verdonk q.q.), Verdaas 2007 (Commentaar Insolventierecht), 72, Fw art. 58, C.2.6.. In zijn dissertatie gaat ook Hoekstra er vanuit dat art. 58 van toepassing is op een stil pandrecht op een vordering; zie Hoekstra 2007, p. 151-152, 158, 181 en 196. Anders: De Liagre Böhl 1991, p. 112-113, Verdonk 2006 en Beekhoven van den Boezem en Goosmann 2007a. Gelet op hetgeen de Hoge Raad hieromtrent overwoog in het arrest ING/Verdonk q.q., geven de standpunten van deze schrijvers niet het thans geldende recht weer.
Dat de curator niet verplicht is om de stil pandhouder ex art. 58 lid 1 Fw een termijn te stellen alvorens tot actieve inning van een stil verpande vordering over te gaan, betekent niet dat de curator tot het stellen van een dergelijke termijn aan de pandhouder om tot hetzij de inning, hetzij de executoriale verkoop van een verpande vordering en het nemen van verhaal op de opbrengst over te gaan niet bevoegd is.
Dat art. 58 lid 1 Fw ook op de inning van verpande vorderingen van toepassing is, blijkt uit het arrest ING/Verdonk q.q.1 Het viel mijns inziens ook reeds af te leiden uit het arrest Mulder q.q./CLBN. Het oordeel van de Hoge Raad dat de pandhouder ook na faillietverklaring van de pandgever zijn stil pandrecht door mededeling van zijn pandrecht aan de debiteur in een openbaar pandrecht mag transformeren, kan mijns inziens uitsluitend worden verklaard - en gerechtvaardigd - doordat ook de stil pandhouder separatist is, zodat het bepaalde in art. 58 Fw ook van toepassing is op de inning van een stil verpande vordering.2
De ratio van art. 58 lid 1 Fw is te voorkomen dat onnodig wordt gedraald met de liquidatie van de tot de boedel behorende vermogensbestanddelen. Door het stellen van de termijn kan de curator de separatist prikkelen om tot uitoefening van zijn rechten over te gaan. Heeft de separatist zijn rechten niet binnen de gestelde redelijke termijn uitgeoefend, dan is de curator bevoegd het vermogensbestanddeel waarop het recht van de separatist rust te gelde te maken.3
Toepassing van art. 58 lid 1 Fw op de inning van verpande vorderingen is in overeenstemming met de ratio van deze bepaling. Door aan de pandhouder een termijn te stellen voor de inning van een verpande vordering kan de curator hem prikkelen om daarmee niet onnodig te dralen. Int de pandhouder de vordering niet binnen de gestelde redelijke termijn, dan is de curator bevoegd tot de inning daarvan over te gaan.