Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.1:I.2.1 Inleiding
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.1
I.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501374:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De strekking van (belasting)wetten wordt in de literatuur ook wel met rechtskarakter aangeduid. Rechtskarakter wordt vervolgens uitgelegd als aanduiding van de strekking of het ‘leitmotiv’ van de (belasting)wet. Zie H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint 1994. Ik geef de voorkeur aan de term strekking. Dat wordt namelijk met rechtskarakter bedoeld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verdedigd is dat de omzetbelasting de strekking of het rechtskarakter van een algemene verbruiksbelasting heeft.1 De vraag is of dat onverkort zo is en wat het concreet betekent, uiteraard specifiek met betrekking tot financieringen. Kan zich, bijvoorbeeld, verbruik voordoen van geld, krediet of aandelen(kapitaal)? Dit hoofdstuk bevat een onderbouwing van mijn opvatting dat in de strekking van de omzetbelasting ligt besloten dat verbruik alleen goederen en diensten kan betreffen die door toevoegingen van waarde – ‘productie’ – in ondernemingen zijn ontstaan. Deze zienswijze sluit verbruik van geld, krediet en aandelen(kapitaal) uit.
De hierna volgende verhandeling over de strekking van de omzetbelasting kent twee doelstellingen. In de eerste plaats levert het een hulpmiddel op bi één van de methoden van interpretatie van de Wet OB 1968 en de Btw-richtlijn, te weten de teleologische interpretatie. Daarmee is het nuttig bij de beantwoording van de eerste onderzoeksvraag. In de tweede plaats fungeert de strekking als toetsingskader, om te bezien in hoeverre het huidige recht beantwoordt aan de doelstellingen van de (Unie)wetgever. Ook biedt het een relevant focuspunt voor de beoordeling van rechtsgelijkheid (zie par. 1.3 en 1.4). Dat alles raakt de tweede onderzoeksvraag.