Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/9.3.2
9.3.2 Nuancering
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376782:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Er kan ook een verplichting tot medewerking aan overdracht bestaan, vgl. art. 3:176 lid 2 BW over de overdracht van een aandeel in een gemeenschap. In een specifieke context kan een medewerkingsplicht ontstaan nadat afstand is gedaan. De ontvanger van een onverschuldigde betaling verliest ingevolge art. 6:208 BW zijn recht op vruchten, vergoeding van kosten en schade als degene die onverschuldigd heeft betaald, afstand doet van zijn recht op terugvordering. Als het onverschuldigd betaalde door de ontvanger al was teruggegeven, dan mag degene die onverschuldigd betaald heeft op zijn kosten het onverschuldigd betaalde overdragen aan de ontvanger. Deze is verplicht aan de overdracht mee te werken. Deze regeling is opgenomen voor de situatie dat degene die onverschuldigd betaald heeft een beroep kan doen op zowel onverschuldigde betaling als ongerechtvaardigde verrijking, Parl. Gesch. Boek 6 BW p. 815 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 404 (TM); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/15.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 405 (VV II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 406 (MvA II).
Zie respectievelijk art. 3:206 jo. 3:205 jo. 3:207 lid 3 BW voor de verplichtingen van de vruchtgebruiker en art. 3:70 lid 2 BW voor de retributie voor erfdienstbaarheid.
Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 306 (MvA II).
Art. 5:88 lid 1 en art. 5:104 lid 2 BW.
Ex art. 5:97 en 5:104 lid 2 BW. Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 306-307 (MvA II). Twijfelachtig is volgens Bartels en Van Mierlo hoe reëel deze bescherming is gezien de terughoudendheid waarmee art. 5:97 BW wordt toegepast; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/16. Zie over wijziging van beperkte rechten K. Everaars, ‘De goederenrechtelijke imprévision-regeling: vuistregels voor de rechtspraktijk’, WPNR 7059 (2015).
382. Er bestaat om een aantal redenen geen scherp onderscheid tussen eenzijdige en meerzijdige afstand. Ten eerste geldt een lage drempel voor aanvaarding van een aanbod tot afstand om niet, zoals blijkt uit artikel 6:160 lid 2 BW. Ten tweede kan een schuldenaar niet altijd verhinderen dat afstand gedaan wordt van een jegens hem uit te oefenen recht. Een voorbeeld hiervan is de afstand van het vorderingsrecht waarvoor meerdere schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn. Ingevolge art. 6:9 BW kan iedere hoofdelijke schuldenaar namens de overige schuldenaren een aanbod daartoe aanvaarden. De vertegenwoordigde schuldenaren kunnen de aanvaarding niet frustreren door de kwijtschelding onverwijld af te wijzen. Ook in artikel 6:14BW leest men een uitzondering op het beginsel dat men een ander geen geschenk moet kunnen opdringen. Wanneer de schuldeiser jegens één van de hoofdelijke schuldenaren afstand doet van een deel van de vordering, blijft deze schuldenaar in zijn interne verhouding tot de overige hoofdelijke schuldenaren draagplichtig. Wil de schuldeiser de uitverkoren schuldenaar ook van deze verplichting ontslaan, dan kan hij jegens de overige hoofdelijk schuldenaren zijn vordering verminderen met het bedrag dat als bijdrage had kunnen worden gevorderd. Deze partiële afstand kunnen de overige schuldenaren niet verhinderen.
383. Daarnaast is in de wet op verschillende plaatsen een plicht tot medewerking aan afstand neergelegd.1Artikel 3:224 BW bepaalt dat als een vruchtgebruiker uit hoofde van de aan het vruchtgebruik verbonden lasten en verplichtingen op zijn kosten afstand wil doen van het recht van vruchtgebruik, de hoofdgerechtigde is gehouden daaraan mee te werken. Eenzelfde regeling is ten aanzien van de erfdienstbaarheid opgenomen in art. 5:82 BW. Ook wanneer een mede-eigenaar van een mandelige zaak afstand wil doen van zijn aandeel vanwege de lasten van onderhoud, reiniging en vernieuwing in de toekomst, moeten zijn mede-eigenaren daar op grond van art. 5:66 lid 2 BWaan meewerken. In art. 3:122 BWis bepaald dat als een rechthebbende een goed op zijn kosten wil overdragen aan de bezitter om zich te bevrijden van de verplichting tot vergoeding van kosten en schade, de bezitter aan die overdracht moet meewerken. De rechthebbende doet door middel van overdracht in feite afstand van zijn eigendomsrecht.
384. De plicht tot medewerking aan afstand van het recht van vruchtgebruik en erfdienstbaarheid is in de wet opgenomen als tegemoetkoming voor het schrappen van de mogelijkheid tot eenzijdige afstand van beperkte rechten zoals die gold onder het Oud BW. De wetgever koos voor meerzijdige afstand om aan te sluiten bij de vereisten voor overdracht, nu afstand van een beperkt recht moet worden gezien als overdracht van dat recht aan de hoofdgerechtigde van het goed waarop het beperkte recht rust.2 Ook vanwege de rechtszekerheid werd de voorkeur gegeven aan meerzijdigheid. Als eenzijdig afstand zou kunnen worden gedaan, is moeilijk vast te stellen of de hoofdgerechtigde kennis heeft gekregen van de afstand en deze erkent.
In de Toelichting Meijers werd geopteerd voor de uitzondering dat een eenzijdige wilsverklaring volstond als de beperkt gerechtigde afstand wilde doen vanwege de aan het recht verbonden lasten. Hier werd uiteindelijk niet voor gekozen, omdat in de voorgestelde constructie de beperkt gerechtigde de lusten had, maar hij er eenvoudig vanaf kon wanneer de lasten hem te hoog werden. Bovendien werd het motief geen goed criterium geacht voor het onderscheid tussen eenzijdige of meerzijdige afstand, nu dat motief niet steeds kenbaar is.3 Het werdwenselijker gevonden om per beperkt recht te bezien of behoefte bestaat aan de mogelijkheid van eenzijdige afstand.4 Het criterium van de Toelichting Meijers is echter wel opgenomen in art. 5:82 en art. 3:224 BW als ratio voor de medewerkingsplicht van de hoofdgerechtigde bij afstand van erfdienstbaarheid of vruchtgebruik.5 Opvallend is dat geen medewerkingsplicht geldt voor afstand van erfpachts- of opstalrecht, hoewel ook in ruil voor die rechten canon of retributie moet worden betaald en hoge lasten dus ook een reden kunnen zijn om afstand van die rechten te doen. Dit werd niet nodig geacht naast de mogelijkheid van eenzijdige opzegging.6 Opzegging is echter slechts mogelijk met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar.7 Bovendien kan de opzeggingsbevoegdheid blijkens art. 5:87 lid 1 BW uitgesloten worden in de vestigingsakte. Volgens de wetgever worden in dat geval de erfpachter en opstaller voldoende beschermd door de mogelijkheid wijziging van het beperkte recht te vragen.8