Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.2.2.1
7.2.2.1 Aanvaarding en verwerping van een nalatenschap
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS380438:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4:182 BW. Dit is anders in geval van de wettelijke verdeling, waarbij de langstlevende echtgenoot in bezit en houderschap van de erflater opvolgt.
Art. 4:184 lid 2 aanhef en sub a BW.
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 922 (TM).
Groene Serie Erfrecht, art. 4:190 BW, aant. 8, B.E. Reinhartz.
In de literatuur is gepleit voor beneficiaire aanvaarding als primaire, automatische route. Ter griffie zouden erfgenamen zuiver kunnen aanvaarden of verwerpen. Hier wordt wetgeving over voorbereid, zie het Wetsvoorstel bescherming erfgenamen tegen schulden. Zie ook J.W.A. Biemans, ‘Wetsvoorstel BETS is beter dan BETOS, maar helaas (nog) geen standaard beneficiaire aanvaarding’, WPNR 7083 (2015); P. Blokland, W. Burgerhart en W.D. Kolkman, ‘Wet bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden: schuldeisers de klos met de ‘Wet betos’’, WPNR 7019 (2014), p. 465.
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 933-934 (MvA II).
Ibidem; Handboek Erfrecht 2011, p. 430.
HR 26 april 1968, NJ 1969/322; Kolkman en Veltman 2004, p. 777; Groene Serie Erfrecht, art. 4:192 BW, aant. 2, B.E. Reinhartz. Zie ook HR 20 juni 2014, NJ 2014/508, waarin beslist werd dat het in rechte optreden namens de nalatenschap niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat stilzwijgend aanvaard is. Een analogie met art. 154 Rv wijst AG De Vriesch Lentsch-Kostense echter af. In HR 22 mei 2015, NJB 2015/1057 werd belist dat uit handelingen ten behoeve van een (passende) uitvaart voor de erflater geen stilzwijgende aanvaarding mag worden afgeleid.
HR 20 juni 2014, NJ 2014/508.
Art. 4:192 lid 2 en 3 BW.
287. Het kenbaar maken van de keuze tot aanvaarding of verwerping is zelf ook een eenzijdige rechtshandeling. Het rechtsgevolg – het verlies van de mogelijkheid tot verwerping; het ontstaan van de verplichting voor de zuiver aanvaardende erfgenaam tot voldoening van de schulden van de nalatenschap ten laste van zijn eigen vermogen; het verlies van als gevolg van de uiterste wilsbeschikking verkregen rechten – treedt in door de enkele wilsverklaring van de erfgenaam.
Art. 4:190 lid 1 BW geeft de erfgenaam de mogelijkheid om de nalatenschap zuiver danwel beneficiair (onder het voorrecht van boedelbeschrijving) te aanvaarden of te verwerpen. Na overlijden van de erflater volgen de erfgenamen hem van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten, in zijn bezit, houderschap en in zijn schulden.1 Alleen na zuivere aanvaarding is de erfgenaam verplicht een schuld van de nalatenschap te voldoen ten laste van zijn overige vermogen.2 Een nalatenschap kan alleen in haar geheel worden aanvaard of verworpen. Wat aan een erfgenaam die de nalatenschap reeds heeft aanvaard, opkomt door het in vervulling gaan van een door de erflater aan de erfstelling toegevoegde voorwaarde, kan de erfgenaam afzonderlijk aanvaarden of verwerpen.
De erflater mag de erfgenaam niet in zijn keuze beperken. De erfgenaam, op zijn beurt, mag niet vóór het openvallen van de nalatenschap (dus bij voorbaat) aanvaarden of verwerpen. Aanvaarding of verwerping kan alleen onvoorwaardelijk en onherroepelijk geschieden, zo volgt uit art. 4:190 lid 3 BW. In de parlementaire geschiedenis merkt Meijers hierover op, dat wie eenmaal heeft verworpen, niet de bevoegdheid moet hebben hierop terug te komen.3 Hij heeft zijn recht ‘verbruikt’. Voor het onvoorwaardelijke aspect van de aanvaarding of verwerping wordt in de parlementaire geschiedenis geen reden gegeven. Reinhartz zegt dat de wetgever ervan uit gaat dat de keuze van de erfgenaam alleen onvoorwaardelijk kan geschieden, en dat de erfgenaam evenmin kan beïnvloeden wanneer de keuze werking verkrijgt: aanvaarding of verwerping van een nalatenschap werkt terug tot het moment van overlijden.4
288. Art. 4:191 lid 1 BW schrijft voor dat de keuze tussen aanvaarding en verwerping wordt gemaakt door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis, welke verklaring wordt ingeschreven in het boedelregister.5 De betekenis van dit vormvoorschrift is echter beperkt, nu uit art. 4:192 lid 1 BW volgt dat een erfgenaam die nog geen keuze heeft uitgebracht, een nalatenschap zuiver aanvaardt door zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud te gedragen als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam. Dit geval doet zich voor als hij over ‘goederen der nalatenschap als heer en meester beschikt’ of wanneer hij in een andere vorm dan een verklaring als voorgeschreven in art. 4:191 lid 1 BW, duidelijk aan de schuldeisers van de nalatenschap laat blijken dat hij de schulden der nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt.6 Deze gedragingen worden gezien als het verspelen van het keuzerecht en dus als een zuivere aanvaarding van de nalatenschap.7 Er is geen sprake van stilzwijgende aanvaarding als de erfgenaam conservatoire en beheersmaatregelen neemt. Of in een concreet geval sprake is van beheersdaden of van stilzwijgende aanvaarding, hangt af van de omstandigheden van het geval.8 De norm is niet zo streng dat er bij de wederpartij geen enkele twijfel mocht bestaan over het stilzwijgend aanvaard hebben van de nalatenschap.9
Zelfs stilzitten kan aanvaarding van de nalatenschap tot gevolg hebben. De kantonrechter kan een erfgenaam die nog geen keuze heeft gemaakt, op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen. Laat de erfgenaam de termijn verstrijken zonder een keuze uit te brengen, dan wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard.10 Daarentegen wordt volgens art. 4:192 lid 4 BW een erfgenaam geacht beneficiair te aanvaarden, als een of meer mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair aanvaarden. De erfgenaam kan de nalatenschap alsnog verwerpen of zuiver aanvaarden door overeenkomstig art. 4:191 lid 1 BW een verklaring uit te brengen, binnen drie maanden na kennisneming van die beneficiaire aanvaarding of, als er een termijn is gesteld, binnen die termijn.
Niet alleen de vormvoorschriften worden door deze regel uitgehold, ook de wil van de erfgenaam wordt mijns inziens wel heel eenvoudig verondersteld. De keuze van andere erfgenamen wordt geëxtrapoleerd, waardoor de wil van de zwijgende erfgenaam nauwelijks meeweegt.