KWEP 2021/12
De certificering als instrument voor scheiding van zeggenschap en belang
Mr. C.L.M. Brouwers en mr. M. de L. Monteiro, datum 13-06-2021
- Datum
13-06-2021
- Auteur
Mr. C.L.M. Brouwers en mr. M. de L. Monteiro1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS271467:1
- Vakgebied(en)
Financiële planning / Estate planning
Voetnoten
Voetnoten
Beiden werkzaam bij de Belastingdienst. Dit artikel is door hen op persoonlijke titel geschreven.
A.E. de Leeuw, Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer, Deventer: Wolters Kluwer 2020.
Voor alle duidelijkheid merken wij op dat met de certificering an sich geen belastingbesparing wordt bereikt. De belastingbesparing zit in het schenken van de certificaten, gecombineerd met de beoogde vereenzelviging van de certificaten met het gecertificeerde vermogen.
A.E. de Leeuw, Economische eigendom (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2018, par. 2.4.
Hoge Raad 1 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB7695, NJ 1989/226.
We refereren aan het vak van business-valuation.
R.P. van den Dool en S. van der Hoeven, Waardering van incourante aandelen voor de belastingheffing, Deventer: Wolters Kluwer 2015.
Ingeval de certificaten niet kunnen worden vervreemd gaat dit uiteraard niet op.
Hetgeen De Leeuw overigens verderop in haar boek ook van mening lijkt te zijn (zie par. 13.4.1.6).
Zie bijvoorbeeld Rb. Gelderland 18 september 2018, AWB_17_983, ECLI:NL:RBGEL:2018:4002.
In geval de certificering is opgezet als beschermingsfiguur laat een verplichting tot bijstorting zich niet snel denken. Dit doet zich eerder voor bij een certificering die wordt ingezet als estate planningsinstrument.
Waarover ze twijfelt, maar wat zij afleidt uit HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3392, BNB 2008/203.
Hieraan wordt ook nog aandacht besteed in hoofdstuk 15.
Dat voor toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling de ‘onmiddellijk aandeelhouder’ degene is die ‘het volledige economische belang’ heeft bij een aandeel is onlangs verduidelijkt en bevestigd in HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:972, BNB 2020/152, m.nt. Boer. Een persoon die het ‘volledig economisch belang’ bij een goed heeft kan in onze ogen worden gezien als economisch eigenaar van dat goed.
Besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139, Staatscourant nr. 15751.
Wij hebben overigens niet de indruk dat de staatssecretaris slechts van economische eigendom wil spreken indien aan de voorwaarden uit het Besluit wordt voldaan. Onderdeel 4.4. geeft ‘slechts’ aan onder welke voorwaarden certificaten van aandelen met de aandelen kunnen worden vereenzelvigd.
En mocht dit al anders zijn dan wordt volgens De Leeuw hetzelfde resultaat bereikt door in geval van certificeren aan te sluiten bij de in de jurisprudentie ontwikkelde ruilgedachte (BNB 1990/147). Anders: Rijkers en Van Dijck 2000.
Waarbij wij er vanuit gaan dat hiermee ook bedoeld wordt de situatie dat de administratievoorwaarden niet worden gewijzigd maar de STAK en/of certificaathouder zich simpelweg niet aan die voorwaarden houden.
Zij komt tot die conclusie op grond van HR 21 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3903, BNB 1988/308 en HR 9 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:BH8757, BNB 1994/321.
Alhoewel dat probleem volgens schrijfster voorkomen zou kunnen worden door de administratievoorwaarden zo in te richten dat de certificaathouder wel de economische eigendom van het gecertificeerde vermogen bezit.
Waarbij zij terecht opmerkt dat in een dergelijke systematiek er geen ruimte meer is voor een waardedrukkend effect van certificering, terwijl een koper van de certificaten – vanwege de beperkingen die certificaten nou eenmaal met zich meebrengen – ongetwijfeld minder zal willen betalen voor de certificaten. De eenvoud van het systeem zou volgens schrijfster evenwel zwaarder moeten wegen.
Evenals schrijfster vragen ook wij ons af waarom iemand zijn eigen woning zou willen certificeren.
Schrijfster refereert aan HR 17 juni 2016, BNB 2016/181, waarin de NSW-vrijstelling door de Hoge Raad van toepassing werd verklaard op een NSW-landgoed dat deels werd verhuurd, waarin het niet hebben van het gebruiksrecht (dat was immers in handen van de huurder) niet aan de vrijstelling in de weg stond.
Zie voetnoot 8.
Besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/3210M, V-N 2003/5.24.
P.W. Hofman en S. Singh, ‘Certificeren van vermogen’, WFR 2017/7174, par. 3.2 en S.A. Stevens, ‘Fondsen voor gemene rekening fiscaal geduid (I)’, WPNR 2017/7139, par. 10.4.
Wij denken daarbij bijvoorbeeld aan het overdragen van certificaten van aandelen aan een ANBI. Past certificering van aandelen dan wel gelet op de zogenaamde anti-oppoteis binnen de ANBI-regels?
1. Inleiding
De certificering van vermogen is een fenomeen dat wij bij de Belastingdienst zeer vaak tegenkomen in de praktijk van vermogende families. In de regel betreft dit de situatie waarbij vermogen wordt overgedragen aan een Stichting Administratiekantoor (hierna: STAK) tegen uitreiking van certificaten. In verreweg de meeste gevallen worden aandelen in een besloten vennootschap ter certificering overgedragen, maar ook de certificering van overig vermogen komt vaak voor. Wij waren dan ook zeer geïnteresseerd in de studie die mevrouw mr. dr. A.E. de Leeuw naar deze vorm van scheiding van (juridische) zeggenschap en (economisch) belang heeft verricht.2
Eerst zullen wij onze bevindingen weergeven ten aanzien van de civielrechtelijke aspecten die De Leeuw in hoofdstuk 7 heeft behandeld. Hierbij zal de nadruk liggen op de privaatrechtelijke onderwerpen die bij uitstek fiscale raakvlakken hebben. Vervolgens zullen wij ingaan op de in hoofdstuk 13 en 15 behandelde fiscale aspecten.
Wij zullen afsluiten met een conclusie.
2. De civielrechtelijke aspecten van certificering
2.1 Benadering vanuit de toekomstige erflater of schenker
Alvorens specifiek in te gaan op certificering als instrument voor scheiding van zeggenschap en belang, plaatsen wij een opmerking vooraf. Het beschermen van (familie)vermogen vormt in onderhavig proefschrift een belangrijk uitgangspunt. Schrijfster heeft deze bescherming benaderd vanuit de wens van de toekomstige erflater of schenker om zijn vermogen – ook nadat dit aan een ander is vererfd of geschonken – te blijven beschermen. Hieruit blijkt een subjectieve benadering. Het zijn immers de persoonlijke motieven van erflater of schenker die de aanleiding vormen voor de scheiding van zeggenschap en belang. De Leeuw geeft in dit kader aan dat de vermogensbescherming zich in elk geval ten dele richt op: “…de bescherming van het vermogen tegen diegene die dit verkrijgt, althans dit anders (volledig) verkregen zou hebben.” Vervolgens stipt zij het belang van de verkrijger/rechthebbende om vrij over zijn vermogen te kunnen beschikken aan bij de behandeling van de legitieme portie. Hoewel De Leeuw daar niet op ingaat, kan de vraag worden gesteld of, en zo ja in hoeverre, het gerechtvaardigd is dat de wensen van de erflater of schenker in deze subjectieve benadering prevaleren boven de wensen van de verkrijger van het betreffend vermogen. Is het maatschappelijk wel wenselijk dat mensen over vele generaties heen – en soms zelfs tot in het oneindige – over hun vermogen kunnen regeren? Vanuit de wens van de erflater/schenker onderzoekt de schrijfster vervolgens – in lijn met haar professionele rol als adviseur – de civielrechtelijke aspecten. Daarenboven merken wij op dat ook het begrip “bescherming” door de persoonlijke visie van de toekomstige erflater of schenker wordt ingevuld. Gezien de ruime omvang van het proefschrift en de gekozen onderzoeksvraag, vinden wij het begrijpelijk dat het vraagstuk omtrent de rechtvaardiging van onderhavige subjectieve benadering niet nader is bestudeerd. Wel lijkt het ons interessant voor toekomstig vervolgonderzoek. In dat onderzoek zou ook kunnen worden ingegaan op de vraag of het accent ligt op het beschermen van vermogen tegen iets of dat het in toenemende mate blijkt te gaan om het beschermen van de verkrijger tegen het effect van het verkrijgen van een groot vermogen.
2.2 Historie
Hoofdstuk 7 vangt aan met een historische behandeling van de certificering. Opvallend is dat van oudsher de discussie bestond of een administratiekantoor rechtspersoonlijkheid had. Tegenwoordig is een administratiekantoor in de regel een stichting. Evenmin is het altijd vanzelfsprekend geweest dat een certificaat juridisch als een vorderingsrecht te duiden is. Het was in vroegere tijden zelfs de vraag wie juridisch gerechtigd was tot de gecertificeerde goederen.
Vanouds werd certificering ingezet als beleggingsinstrument. De gerechtigde tot aandelen droeg zijn aandelen ten titel van beheer over aan een administratiekantoor en kreeg voor zijn ingebrachte aandelen certificaten uitgekeerd. Op deze wijze konden effecten deskundig worden beheerd. Ook werd certificering ingezet in het kader van een beursgang, om vijandige overnames tegen te gaan. Het gebruiken van certificering met als doel het beschermen en bijeenhouden van familiekapitaal is van vrij recente datum. De Leeuw geeft aan dat over deze mogelijkheid in elk geval pas na de eeuwwisseling met enige frequentie wordt gepubliceerd. Sindsdien is het een veelvuldig toegepast instrument geworden. De oorzaak van deze toename in toepassing is in het proefschrift niet onderzocht. Het zou ons niet verbazen als de enorme vlucht die de toepassing van het instrument certificering de laatste jaren heeft genomen het gevolg is van de gunstige fiscale behandeling waaraan een dergelijke structuur is onderworpen. Naast een instrument voor bescherming van familievermogen, wordt het certificeren van vermogen immers ook ingezet om toekomstige erfbelasting te besparen. Wij denken hierbij aan de klassieke situatie waarbij een ouder vermogen wenst over te dragen aan zijn kind. Tegelijkertijd wenst de ouder zeggenschap over het vermogen te behouden. Indien de certificaten met het gecertificeerde vermogen kunnen worden vereenzelvigd, of sprake is van economische eigendom, kan een bijkomend erfbelastingvoordeel worden behaald. De waardestijging die heeft plaatsgevonden tussen het moment van overdracht van de certificaten en overlijden van de ouder is dan immers eveneens onbelast.3 Het lijkt ons interessant te onderzoeken welke overwegingen bij de toekomstige erflater of schenker, die dit instrument inzet, het zwaarst wegen: bescherming van familievermogen of belastingbesparing?
2.3 Enkele kenmerken van certificering
Schrijfster komt in haar proefschrift tot de volgende definitie van certificering:
“Certificering is de overeenkomst die als rechtsgevolg heeft dat goederen juridisch toekomen aan de een, terwijl deze de goederen ten titel van beheer houdt voor rekening en risico van de ander (ten bewijze waarvan de juridisch gerechtigde certificaten heeft uitgegeven).”
Aangaande het rechtskarakter van de certificering neemt De Leeuw achtereenvolgens de lastgeving en de overeenkomst van opdracht, het bewind en de maatschap in beschouwing. Zij komt tot de conclusie dat certificering als geen van deze rechtsfiguren is te beschouwen en als een overeenkomst sui generis dient te worden aangemerkt.
Voorts constateert zij dat de STAK juridisch gerechtigd is tot het gecertificeerd vermogen. De certificaathouder is naar de mening van schrijfster in beginsel “economisch eigenaar” van de gecertificeerde goederen. Op deze zienswijze omtrent de economische eigendom komt zij in het fiscale gedeelte (par. 13.3) uitgebreid terug. Aangezien De Leeuw tot de conclusie is gekomen dat certificering als geen van de rechtsfiguren lastgeving, bewind en maatschap kan worden aangemerkt – rechtsfiguren waar de certificaathouder mogelijk als eigenaar zou kunnen worden gezien – is het interessant om dit tegen het licht te houden van de visie van Huijgen waarnaar De Leeuw verwijst in een ander boek, getiteld Economische Eigendom.4 Zij geeft hier in de eerste voetnoot van par. 2.4 aan dat bij certificering in de ogen van Huijgen geen sprake is van economische eigendom, aangezien de certificaathouder geen zeggenschapsrechten heeft. Wellicht kan in een vervolgonderzoek (dieper) op een op haar mening haaks staande zienswijze worden ingegaan. Het begrip economisch eigendom is immers nog lang niet uitgekristalliseerd.
Het onderzoek behandelt daarnaast nauwgezet:
de juridische toelaatbaarheid van certificering/fiduciaverbod (par 7.6);
het certificaat (par 7.7);
het administratiekantoor; en (par 7.8);
de administratievoorwaarden (par 7.9).
Gezien het relatief geringe fiscale belang hiervan, gaan wij niet nader op deze onderwerpen in.
2.4 Einde van de certificering
In par. 7.10 behandelt schrijfster het einde van de certificering. Op dat moment wijzigt de vermogensrechtelijke positie van de certificaathouder en de STAK ten opzichte van het gecertificeerde vermogen. Als het besluit tot decertificering is genomen, dient de STAK het in haar bezit zijnde vermogen aan de certificaathouder over te dragen, ten titel van einde van het beheer. Indien het (oorspronkelijk) gecertificeerde vermogen teniet is gegaan en daarvoor in de plaats een (vordering tot) schadevergoeding is gekomen, verkrijgt de certificaathouder zijn aandeel daarin. Het is evident dat een overdracht van vermogensrechten fiscaal relevant is. Zo is het in dat kader van belang te beoordelen of de waarde van het certificaat overeenkomt met het daarvoor in de plaats gekregen gedecertificeerde vermogen. Op het aspect “waardering” gaat zij in de fiscale par. 13.2 en 13.5.2 nader in.
2.5 Certificering als beschermingsfiguur
De certificering als beschermingsfiguur, die door De Leeuw behandeld wordt in par. 7.11, wordt met name geprezen om diens ruime mate van flexibiliteit. Vanuit het perspectief om de specifieke wensen van de toekomstige erflater of schenker zo goed mogelijk uit te kunnen voeren, de zogenaamde “advisering op maat”, kunnen wij dit plaatsen. Echter, hoe meer flexibiliteit een rechtsfiguur biedt, des te meer aandacht deze rechtsfiguur van de (fiscale) wetgever en uitvoerders vraagt. Immers, elke civielrechtelijke stap die genomen wordt, zal fiscaal gekwalificeerd moeten worden. Hoe meer mogelijkheden, des te meer scenario’s waarmee de (fiscale) wetgever en uitvoerders rekening dienen te houden. Wij werpen hierbij de vraag op of een zeer ruime mate van flexibiliteit wel maatschappelijk wenselijk is. Ook hier zien wij mogelijkheden voor een vervolgonderzoek.
2.6 Overige civielrechtelijke aandachtspunten
Tot slot behandelt De Leeuw in hoofdstuk 7 achtereenvolgens:
Certificering als beschermingsfiguur (par. 7.11);
Wijze van beperking van zeggenschap (par. 7.12);
Beheersregeling bij certificering (par. 7.13);
Certificering en legitieme portie (par. 7.14) en sluit af met een;
Conclusie (par. 7.15).
Hiervoor gaven wij aan dat schrijfster bij de behandeling van de legitieme portie het belang van de verkrijger/rechthebbende om vrij over zijn vermogen te kunnen beschikken heeft aangestipt bij de behandeling van de legitieme portie. Met betrekking tot de maatschappelijke toelaatbaarheid van certificering behandelt zij het Drukker-arrest.5 Dit is de enige keer dat de Hoge Raad zich hieromtrent heeft uitgesproken. Het betrof niet-royeerbare certificaten. De visie van De Leeuw omtrent dit arrest willen wij de lezer niet onthouden:
“De Hoge Raad heeft in het Drukker-arrest aangegeven dat certificering, waarbij de certificaten niet-royeerbaar zijn, niet in zijn algemeenheid als maatschappelijk onaanvaardbaar kan worden beschouwd. In deze zaak speelde wel een rol dat de certificering in dat geval was ingesteld om de continuïteit van de vennootschap, wier aandelen waren gecertificeerd, te waarborgen. De Hoge Raad heeft zich daarmee nog niet uitgesproken over certificering waarbij niet een dergelijk, extern, te beschermen belang aanwezig is, maar het expliciete doel van de certificering het onthouden van zeggenschap aan de legitimarissen is. In aanmerking nemend dat de aanspraken van deze legitimarissen aanmerkelijk verzwakt zijn sinds het moment dat de Hoge Raad zijn arrest wees, ben ik evenwel van mening dat er ook dan ruimte moet zijn voor het gebruik van niet-royeerbare certificaten. De inbreuk op de aanspraken van de legitimarissen wordt mijns inziens evenwel te groot, indien de certificaten bovendien onoverdraagbaar zijn en geen vooruitzicht op rendement met zich brengen. Waar de precieze grens van maatschappelijke aanvaardbaarheid ligt en of er een vorm van certificering is die deze grens in de ogen van de rechter overschrijdt, is evenwel vooralsnog niet volledig duidelijk.”
Wij menen hieruit te kunnen concluderen dat schrijfster met ons van mening is dat de maatschappelijke aanvaardbaarheid van certificering nadere studie verdient.
De Leeuw concludeert dat certificering, althans vanuit civielrechtelijk perspectief, naar haar mening geschikt is als beschermingsfiguur. De vraag is vervolgens of zij in fiscalibus dezelfde mening is toegedaan.
3. De fiscaalrechtelijke aspecten van certificering
3.1 Waardering
In hoofdstuk 13 beschrijft De Leeuw de fiscale gevolgen van certificering. Zij vangt aan met een paragraaf over waardering van certificaten en bespreekt daarna de gevolgen voor de inkomstenbelasting, de schenk- en erfbelasting en de vennootschapsbelasting. Het feit dat schrijfster begint met het onderwerp ‘waardering’ illustreert in onze ogen dat zij onderkent dat in de praktijk een belangrijk deel van de fiscale problematiek rondom certificering hier op terug te voeren is. In hoofdstuk 15 wijdt zij er ook nog de nodige beschouwingen aan. Vooraf geeft schrijfster aan dat het niet haar bedoeling is om uitputtend de waardering van certificaten te bespreken maar het haar er meer om gaat de omstandigheden te benoemen die bij de waardering een rol kunnen spelen. Dat vinden wij een begrijpelijk uitgangspunt aangezien, daar waar het gaat om gecertificeerde aandelen, de waarde van de certificaten ook grotendeels zal afhangen van de waardering van de aandelen, hetgeen een aparte ‘tak van sport’ is.6 Vanuit het wezen van certificering – de scheiding van zeggenschap en economisch belang, vaak gepaard gaand met niet royeerbaarheid van de certificaten – concludeert De Leeuw dat certificering op zijn minst enig waardedrukkend effect heeft, waarbij dat effect kleiner zal zijn bij aandelen die hun waarde aan het rendement ontlenen (minderheidspakketten) dan bij aandelen die hun waarde ook ontlenen aan de zeggenschap in de vennootschap (meerderheidspakketten). In het laatste geval is in de ogen van schrijfster zeker aanleiding met certificering rekening te houden, zij het dat zij daarin niet in alle gevallen door de rechter wordt gesteund. Met name in de wat oudere jurisprudentie ziet de rechter geen reden om aan certificaten een lagere waarde toe te kennen dan aan de onderliggende aandelen met als argument dat de certificering met name is opgezet om de certificaathouders te beschermen. Schrijfster is van mening dat dat ten onrechte is omdat (i) heden ten dagen de belangrijkste reden voor certificering niet is gelegen in bescherming van de certificaathouders, en (ii) diezelfde rechter het begrip waarde in het economische verkeer gedefinieerd heeft vanuit het perspectief van de ‘meestbiedende gegadigde’. Zij vraagt zich af of een dergelijke gegadigde geen rekening zal houden met de beperkende kenmerken van certificaten. Daarbij heeft schrijfster er overigens oog voor dat het niet altijd zo hoeft te zijn dat de certificaathouder zeggenschap ontbeert. Als voorbeeld noemt zij het familiebedrijf waarvan de aandelen worden gecertificeerd als beschermingsfiguur en waarbij de aandelen in handen zijn van vader en zijn kinderen. Indien vader en de beoogde bedrijfsopvolger als enige zitting hebben in het bestuur van de STAK zal voor hen de waarde van de certificaten in de ogen van schrijfster gelijk zijn aan die van de aandelen. Voor de andere kinderen zal dat waarschijnlijk anders liggen. Wij onderschrijven dit, maar hier kan in onze ogen wel spanning ontstaan met de eerder door schrijfster gemaakte opmerking dat er bij het waarderen van certificaten geen rekening mag worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de certificaathouder, hetgeen door haar zelf overigens ook wordt erkend.
De Leeuw verwijst in haar betoog regelmatig naar Van den Dool en Van der Hoeven.7 Zo komt zij op het door hen aangegeven mogelijke effect van de zogenaamde ‘samenwerkende groep’ op de waardering van aandelen van minderheidsaandeelhouders. Wij zijn geneigd haar mening te delen dat dit effect zich ten aanzien van certificaathouders uitsluitend voordoet indien deze groep ook de STAK beheerst door middel van doorslaggevende posities in het bestuur van de STAK.
In de statuten van een STAK zal niet zelden zijn opgenomen dat de certificaten niet kunnen worden vervreemd, dan wel slechts na toestemming van het bestuur van de STAK. De vraag is of dat effect heeft op de waarde. In de jurisprudentie is bepaald dat bij de waardering van aandelen over het algemeen geen rekening wordt gehouden met statutaire beperkingen bij de overdracht van de aandelen. In de visie van De Leeuw ligt dit anders bij een (nagenoeg) volledige uitsluiting van de overdraagbaarheid van certificaten. Een hypothetische gegadigde doet zich dan niet voor, maar dat betekent volgens haar niet dat aan de certificaten dan helemaal geen waarde kan worden toegekend. Wij onderschrijven dat. Voor de waardering van certificaten met een vervreemdingsverbod trekt schrijfster een vergelijking met de waardering van aandelen die een werknemer van zijn werkgever heeft verkregen onder een verbod deze gedurende een bepaalde periode te verkopen (de lock up periode). Daarvoor heeft de staatssecretaris beleid uitgevaardigd in de vorm van een staffel waarin – afhankelijk van de duur van de lock up – een oplopende afwaardering kan worden toegepast. De Leeuw ziet hierin een bevestiging dat er ruimte is om ook bij de waardering van certificaten rekening te houden met een vervreemdingsonmogelijkheid. Alhoewel wij die conclusie begrijpen vinden wij deze vergelijking wat ongelukkig, al is het alleen maar omdat de niet overdraagbaarheid van certificaten over het algemeen niet aan een bepaalde periode is gekoppeld. Maar toegegeven zij dat het voor de uitvoeringspraktijk uitermate handig zou zijn indien er ook voor de waardering van certificaten bepaalde (beleidsmatige) waarderingsvoorschriften zouden zijn. Die wij er overigens niet zo snel zien komen omdat er diverse en te veel varianten van certificering zijn die het haast onmogelijk maken om tot enigerlei voorschrift te komen.
Tot slot bespreekt schrijfster de mogelijke gevolgen voor de waardering van het ontbreken van een doorstootverplichting voor de STAK. Zij trekt hierin in onze ogen een voorstelbare parallel met familiebedrijven die over het algemeen ook ‘zuinig’ zijn met het uitkeren van dividend. Een waardering op rendementswaarde ligt in een dergelijk geval niet voor de hand. Realistischer is dan een waarderingsmethodiek die meer recht doet aan de waarde van de onderneming en de mogelijkheid om de aandelen te vervreemden.8
Waarmee wij komen tot een slotopmerking over de paragraaf die gaat over het waarderen van certificaten. De Leeuw spreekt steeds over een mogelijke afwaardering of waardedrukkend effect van certificering. Dat veronderstelt dat er steeds een zekere normatieve waarde kan worden vastgesteld van de onderliggende aandelen waarop vervolgens enkele afslagen kunnen worden gemaakt als het gaat om de waardering van de certificaten, afhankelijk van de voorwaarden waaronder de certificering heeft plaatsgevonden. Het is echter maar de vraag of dit theoretische concept klopt. Het lijkt naar onze mening namelijk voorbij te gaan aan het feit dat er ook autonome waarderingsberekeningen kunnen worden gemaakt van de certificaten an sich.9 Aangezien dit behoort tot het werk van business-valuators en niet van fiscalisten wagen wij het niet hier verder op in te gaan.10
3.2 De certificaathouder als economisch eigenaar
In par. 13.3 behandelt De Leeuw de vraag of de certificaathouder als economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen kan worden aangemerkt. Zij toetst daarvoor aan de bekende vereisten (belang bij waardemutaties, teniet gaan van de zaak en volledig genot van de vruchten) en concludeert dat daaraan – conform de heersende opvatting – over het algemeen voldaan zal zijn, afhankelijk van de voorwaarden waaronder de certificering heeft plaatsgevonden. Indien echter de certificaathouder zijn certificaten niet kan royeren, niet kan vervreemden, er geen doorstootverplichting van inkomsten geldt en hij bovendien geen invloed heeft op het bestuur, twijfelt ook De Leeuw of de certificaathouder (nog) als economisch eigenaar kan worden aangemerkt. Een duidelijke grens durft zij evenwel niet aan te geven en dat kunnen wij ons voorstellen. Het zal steeds van de precieze voorwaarden afhangen of men nog kan zeggen dat de certificaathouder economisch eigenaar is of niet.
De Leeuw staat ook kort stil bij de situatie (die we in de praktijk met enige regelmaat zien) dat de STAK voor een groot deel (of ook) gefinancierd is met vreemd vermogen. Indien in een dergelijke situatie de certificaathouder niet verplicht is om eventuele tekorten bij de STAK aan te vullen kan er in de ogen van schrijfster aan worden getwijfeld of de certificaathouder nog het volledige risico van waardeverminderingen loopt. Die zullen immers dan met name voor de financier van de STAK zijn. Zij concludeert dat de certificaathouder in een dergelijk geval geen economisch eigenaar is tenzij de vermogenspositie van de STAK zodanig is dat op voorhand duidelijk is dat deze aan al haar verplichtingen zal voldoen.11 Die nuancering begrijpen we, maar vinden we niet direct voor de hand liggen aangezien dat met zich mee zou brengen dat – in extremis – per jaar zou kunnen verschillen of de certificaathouder economisch eigenaar is of niet. Dat lijkt ons niet gewenst.
Uitgaande van de certificaathouder als economisch eigenaar komt vervolgens aan de orde of de inkomstenbelasting in zowel box 1, 2 als 3 aansluit bij de economische gerechtigdheid.
Van box 1 en 2 is bekend, althans wordt aangenomen dat dat zo is. Voor box 3 komt schrijfster tot dezelfde conclusie aan de hand van een analyse van de schaarse jurisprudentie op dat punt waarmee zij vaststelt dat binnen de gehele Wet IB 2001 voor de bepaling wie ‘fiscaal eigenaar’ is, uitgegaan wordt van de economische eigenaar in plaats van de juridische eigenaar. Een belangrijk uitgangspunt in haar vervolgonderzoek. Voor de Successiewet geldt volgens schrijfster overigens hetzelfde ‘economische concept’.12
3.3 De gevolgen van certificeren voor de inkomstenbelasting
Voor de inkomstenbelasting acht De Leeuw certificering van belang voor de volgende aspecten:
de vraag of, respectievelijk onder welke omstandigheden certificering een vervreemding kan betekenen (par. 13.4.1.2);
de gevolgen voor het genietingsmoment van inkomsten uit het gecertificeerde vermogen en het karakter van die inkomsten, met name indien de inkomsten niet onmiddellijk, althans niet in het jaar van ontvangst, worden door uitgekeerd aan de certificaathouder (par. 13.4.1.5);
de waardering van de certificaten .13
Zij beziet die deelaspecten vanuit de premisse dat de certificaathouder als economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen kan worden beschouwd.
3.3.1 Certificering van box 2-vermogen
De Leeuw begint met het bespreken van de gevolgen voor box 2. Een begrijpelijke keuze omdat de certificering van aanmerkelijkbelangaandelen het meest tot de verbeelding spreekt. Allereerst komt aan de orde de vraag of certificaten van aandelen een middellijk of een onmiddellijk belang vormen. Omdat het voor box 2 gaat om de economische eigendom is schrijfster van mening dat certificaten een onmiddellijk aanmerkelijk belang vormen. Althans indien (en voor zover) de certificaathouder de economisch eigenaar is van 5% of meer van de aandelen. Die mening delen wij met schrijfster.14 Zij verwijst ook naar onderdeel 4.4 van het AB-besluit waarin de staatssecretaris aangeeft dat certificaten van aandelen met de aandelen kunnen worden vereenzelvigd indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.15 Interessant is de gedachte van De Leeuw dat niet per se aan de voorwaarden van het besluit hoeft te worden voldaan om van economische eigendom te kunnen spreken, hetgeen gelet op bovenstaande beschouwingen overigens geen verbazing wekt.16 Het betekent dat in de ogen van schrijfster de certificaathouder als aanmerkelijkbelanghouder is aan te merken, ook als niet aan de voorwaarden van het besluit wordt voldaan. Dat is volgens haar zelfs zo indien de certificaathouder niet als economisch eigenaar kan worden aangemerkt. Op grond van art. 4.3, onderdeel a, Wet IB 2001 kan in haar ogen de certificaathouder dan namelijk nog steeds als aanmerkelijkbelanghouder worden aangemerkt omdat hij immers onmiskenbaar gerechtigd is tot voordelen uit aandelen in de zin van die bepaling.
In par. 13.4.1.2 worden de (mogelijke) gevolgen van (de)certificering besproken. Duidelijk is dat als aan de voorwaarden van onderdeel 4.4 van het reeds gememoreerde AB-besluit wordt voldaan er geen sprake is van een vervreemding. Schrijfster is evenwel van mening dat ook als niet aan (al) deze voorwaarden wordt voldaan er geen sprake is van een vervreemding, indien en zolang de certificaten maar als economische eigendom kunnen worden beschouwd, hetgeen past en consistent is in haar verhaal.17 Het was goed om te lezen dat De Leeuw het hier niet bij laat, maar ook bespreekt wat de gevolgen zijn indien en voor zover de certificaathouder (bijvoorbeeld. vanwege een latere beperking van de administratievoorwaarden) niet meer als economisch eigenaar van de aandelen kan worden beschouwd.18 Twee vragen verdienen dan een antwoord. (1) Is er dan sprake van een vervreemding en zo ja: (2) van het volledige aanmerkelijk belang of slechts voor dat deel van de in het belang besloten liggende rechten dat overgaat naar een ander? Het antwoord op de eerste vraag is volgens schrijfster afhankelijk van de omstandigheden waaronder een wijziging in de administratievoorwaarden kan worden aangebracht. Indien daarvoor niet de medewerking van de betreffende certificaathouder nodig is wordt volgens haar niet voldaan aan de voor een vervreemding gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van een aan hem toerekenbare rechtshandeling. Voor het antwoord op de tweede vraag concludeert schrijfster tot een evenredige vervreemding, maar merkt op dat de Belastingdienst waarschijnlijk het eerste standpunt zal aanhangen.19 De paragraaf wordt afgesloten met de vaststelling dat een decertificering niet tot een vervreemding zal leiden aangezien dan de rechten van de (voormalig) certificaathouder niet af- maar toenemen. Die constatering delen wij met De Leeuw.
Uitermate lezenswaardig en boeiend vonden wij par. 13.4.1.5 die gaat over de vraag wat het genietingstijdstip is voor de certificaathouder, indien de STAK inkomsten uit de aandelen ontvangt of een vervreemdingsvoordeel realiseert en deze ‘opbrengsten’ niet meteen uitkeert aan de certificaathouder. Indien de certificaathouder economisch eigenaar is doet deze vraag zich volgens De Leeuw niet voor aangezien de realisatie, de vervreemding en het genietingsmoment zich bij de certificaathouder op hetzelfde moment voordoen als bij de STAK, ongeacht of een ‘dooruitkering’ plaatsvindt. Maar voor het geval de certificaathouder geen economisch eigenaar is speelt dit probleem wel. Als oplossing komt schrijfster tot een groot aantal denkrichtingen en varianten. Het gaat het bestek van dit artikel te buiten om deze hier allemaal te bespreken terwijl er één denkrichting uithalen de rest te kort zou doen. De geïnteresseerde lezer verwijzen wij daarom graag naar het boek van De Leeuw.
Duidelijk is wel dat schrijfster het uiteenlopen van genieting door STAK en certificaathouder beschouwt als het grootste knelpunt rondom certificering, met name omdat onduidelijk is hoe heffing plaats dient te vinden in de tussenliggende periode.20 Par. 15.3 gaat hierover en ze stelt voor om dit knelpunt weg te nemen door wettelijk te regelen dat een certificaathouder per definitie geacht wordt te genieten op het moment dat de STAK dat doet, ongeacht of de certificaathouder economisch eigenaar is of niet. Aangezien dat kan leiden tot belastingheffing over inkomsten die de certificaathouder nog niet feitelijk heeft genoten zou daaraan nog een wettelijk verhaalsrecht van de certificaathouder op de STAK moeten worden gekoppeld. Wat schrijfster betreft zou deze systematiek overigens kunnen gelden voor alle vormen van inkomen, niet alleen voor box 2.21 Deze benadering van De Leeuw is interessant en verdient wat ons betreft nadere studie. Het komt ons voor dat een dergelijke manier van heffen nog maar weinig afzit van een volledige toerekening van het vermogen van de STAK aan de certificaathouder, vergelijkbaar met die voor APV’s.
In de laatste paragraaf over de gevolgen van certificering voor box 2 komt (opnieuw) de waardering van certificaten aan bod. Opvallend daarin vonden wij dat de schrijfster hierin in eerste instantie afstand lijkt te nemen van haar eerdere betoog (zie hierboven) dat aan certificaten een lagere waarde moet worden toegekend dan aan de onderliggende aandelen. Nadere lezing leert echter dat De Leeuw die lagere waardering alleen maar opportuun acht indien de certificaathouder geen economisch eigenaar van de aandelen is. Is hij dat wel dan is in haar ogen de waarde van de certificaten gelijk aan die van de aandelen. Een certificaathouder die bij de inspecteur een waardedrukkend effect van de certificering zal willen bepleiten zal in de ogen van schrijfster daarom moeten kunnen onderbouwen waarom er in zijn geval geen sprake is van economisch eigendom.
3.3.2 Certificering van box 1-vermogen
Par. 13.4.2 gaat over de certificering van box 1-vermogen. Besproken wordt de certificering van de bezittingen en schulden van een onderneming, van ter beschikking gesteld vermogen en van de eigen woning. Wij bespreken hier alleen de certificering van een eigen woning omdat dat in de praktijk nog wel eens voorkomt.22 Ervan uitgaand dat certificaten over het algemeen de economische eigendom van het onderliggende vermogensbestanddeel representeren concludeert schrijfster dat een gecertificeerde eigen woning nog steeds een eigen woning kan zijn. Daarvoor is immers, volgens de definitie in art. 3.111 Wet IB 2001, het hebben van economisch eigendom voldoende, naast de eis dat belastingplichtige de voordelen geniet, de kosten en lasten voor zijn rekening moeten komen en waardemutaties hem voor meer dan 50% aan moeten gaan. Volgens De Leeuw zijn deze laatste eisen geen extra eisen ten opzichte van economische eigendom omdat een volledig economisch belang slecht denkbaar is als niet aan al deze voorwaarden zou zijn voldaan. Lastiger wordt het indien de woning gefinancierd is met een lening. Een dergelijk lening is alleen dan te beschouwen als een eigenwoningschuld als sprake is van een schuld die de belastingplichtige is aangegaan in verband met de eigen woning. In juridische zin wordt hier niet aan voldaan maar volgens schrijfster valt te verdedigen dat de certificaathouder in economische zin schuldenaar is en dat renteaftrek mogelijk is, aannemend dat aan alle overige voorwaarden wordt voldaan.
3.3.3 Certificering van box 3-vermogen
De gevolgen van certificeren van box 3-vermogen komen aan bod in par. 13.4.3. Schrijfster stelt zichzelf daarbij als eerste de vraag onder welk onderdeel van art. 5.3, lid 2, Wet IB 2001 een certificaat valt en concludeert dat dat afhankelijk is van wat men in de heffing wil betrekken: het certificaat of het gecertificeerde vermogensbestanddeel. Dat lijkt ons een juiste benadering. Vervolgens beziet ze de gevolgen van certificering voor de vrijstellingen die box 3 kent. De vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap is in dit kader het meest interessant om te beschouwen aangezien het bijeenhouden van een kunstcollectie een motief voor certificering kan zijn. Uitgebreid wordt stilgestaan bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 en de nadien door de staatssecretaris daarop gegeven toelichting dat niet alleen de vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap, maar alle vrijstellingen in box 3 alleen dan van toepassing zijn indien een belastingplichtige de volle eigendom van het vermogensbestanddeel bezit, waarvan sprake is als men het volledige gebruiks- en genotsrecht en het gehele belang bij de waardemutatie heeft. Een certificaat dat alleen een vorderingsrecht behelst op de juridische eigenaar (de STAK) voldoet daar volgens de staatssecretaris niet aan. In de ogen van De Leeuw kijkt de staatssecretaris hier te eenzijdig naar het certificaat en maakt hij ten onrechte geen onderscheid tussen certificaten die de economische eigendom verschaffen en certificaten die dat niet doen. Voor economische eigendom is het volledige gebruiksrecht namelijk niet noodzakelijk, maar wel denkbaar, zodat in elk geval certificaten die ook het volledige gebruiksrecht van het gecertificeerde vermogensbestanddeel bevatten voldoen aan de aangehaalde omschrijving van volle eigendom. Het maakt volgens schrijfster bovendien inbreuk op een eerdere conclusie in haar proefschrift (zie boven) dat in de Wet IB 2001 in alle boxen de economische eigenaar de ‘fiscaal eigenaar’ is. En als laatste kan men zich volgens De Leeuw de vraag stellen in hoeverre deze uitlatingen van de staatssecretaris zich verhouden met de (schaarse) jurisprudentie op dit punt.23
Ook in het kader van box 3 komt de vraag op hoe certificaten gewaardeerd moeten worden, meer specifiek hoe dit uitvalt ten aanzien van enkele specifieke waarderingsregels in box 3 voor bepaalde goederen, zoals woningen en beursgenoteerde effecten. Het betoog van De Leeuw laat zich raden en is consistent. Indien de certificaten geen economisch eigendom verschaffen is slechts één benadering mogelijk: heffen ter zake van het vorderingsrecht als zodanig waarbij rekening moet worden gehouden met alle relevante beperkingen die uit de administratievoorwaarden voortvloeien. Indien de certificaten wel de economische eigendom behelzen ligt het volgens schrijfster voor de hand om ook voor de waardering aan te sluiten bij het onderliggende vermogensbestanddeel en dus ook voor de daarop eventueel van toepassing zijnde bijzondere waarderingsregel.
3.4 De gevolgen van certificering voor de schenk- en erfbelasting
In par. 13.5 worden de mogelijke gevolgen van certificering voor de schenk- en erfbelasting onder de loep genomen. De Leeuw besteedt daarbij met name aandacht aan de waardering van certificaten. Zoals al eerder opgemerkt veronderstelt zij dat de Hoge Raad ook voor toepassing van de Successiewet uitgaat van economisch eigendom.24 Dat blijft bij een veronderstelling omdat voor een harde conclusie dat de economische eigenaar voor alle facetten van de Successiewet als fiscaal eigenaar moet worden beschouwd te weinig concrete aanwijzingen zijn. Dat laatste kunnen wij zeker met haar eens zijn.
Vervolgens wordt in deze paragraaf nog het al dan niet van toepassing zijn van art. 10 SW besproken. In een inmiddels ingetrokken besluit van 19 december 2002 had de staatssecretaris namelijk het standpunt ingenomen dat certificering kan leiden tot de toepassing van dit artikel.25 Alhoewel niet ondenkbaar acht schrijfster de kans klein dat in geval van certificering art. 10 SW kan worden toegepast.
3.5 De gevolgen van certificering voor de vennootschapsbelasting
Voor de vennootschapsbelasting is in de eerste plaats relevant of de STAK belastingplichtig is. Schrijfster komt tot de conclusie dat dat – uitzonderingen daargelaten – niet het geval is aangezien een STAK geen onderneming drijft en ook geen werkzaamheid verricht waarmee in concurrentie wordt getreden, in de zin van art. 4, onderdeel a, Wet Vpb. Die conclusie onderschrijven wij. Interessanter is de vraag of een certificering ook de vorm kan hebben van een fonds voor gemene rekening. Een niet zo’n vreemde gedachte in situaties waarin beleggingsvermogen wordt gecertificeerd en waaraan ook al eerder in de literatuur aandacht is geschonken.26 De Leeuw stelt vast dat een dergelijke beoordeling erg feitelijk is maar dat een kwalificatie als fonds niet denkbeeldig is. Want alhoewel een STAK primair als doel heeft het beheren van vermogen kan de STAK daarnaast ook het (afgeleide) doel hebben om voordelen voor de deelgerechtigden te verkrijgen (zoals in art. 2, lid 3, Wet Vpb vereist).
4. Conclusie
Het onderzoek van De Leeuw hebben wij met veel plezier gelezen. Wij hebben ons gericht op het onderwerp certificering, een voor de fiscale rechtspraktijk uitermate relevant onderwerp dat vele vragen oproept. De auteur heeft dit uitgebreid belicht en van een eigen opvatting voorzien waarmee haar onderzoek in onze ogen een absolute aanwinst vormt voor de civiele en fiscale vakliteratuur. Naast dat we er veel van hebben geleerd, zien wij ook nog ruimte voor ons inziens nuttig vervolgonderzoek. Met name de vraag onder welke omstandigheden een certificaathouder wel of niet als economische eigenaar van het gecertificeerde vermogen kan worden aangemerkt verdient verdieping. Maar wellicht kunnen ook de gevolgen van certificering voor aanpalende beschermingsfiguren nog eens worden onderzocht.27 Het feit dat De Leeuw in haar onderzoek zelf ook op diverse plaatsen nog onbeantwoorde vragen opwerpt onderstreept in elk geval het belang van nader onderzoek.