Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.3.3.2
III.9.3.3.2 Rechtvaardiging beperking tot concerns
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492986:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Rapport van het fiscaal en financieel comité (Neumark-rapport), 1962, p. 47.
Zie ookW.A.P. Nieuwenhuizen, aantekening bij: HvJ 30 mei 2013, zaak C-651/11, FED 2013/69 (X BV), onderdeel 3: ‘(…) Als we te maken hebben met een concern dat in de regel alleen BTW-belaste prestaties verricht en dus geheel aftrekgerechtigd is, en als we te maken hebben met een dochtervennootschap waarvoor exact hetzelfde geldt, dan behoort – althans zo vind ik dat – op alle kosten die zo’n concern maakt geen BTW-voorbelasting te drukken. Oprichten van vennootschappen, verhangen van vennootschappen, aantrekken van financieringen, aankopen van diensten van externe dienstverleners, etc. etc. op al deze kosten behoort geen BTW te blijven hangen, omdat op alle economische activiteiten die dit concern en het overgedragen deel leveren BTW rust. De producten die van dit concern komen leiden tot belast verbruik bij haar consumenten. Een niet-aftrekrecht leidt dus tot een cumulatie. (…).’
De omstandigheid dat een concern (of groep) een economische eenheid is, stelt de cumulatie van belasting als gevolg van de vrijstellingen voor financiël diensten in een bijzonder daglicht. Daarbij spelen in het bijzonder drie factoren een rol. In de eerste plaats is het uitgangspunt dat de omzetbelasting als algemene verbruiksbelasting niet van invloed behoort te zijn op de wijze waarop ondernemingen zich organiseren. De mate van verbruik hangt daar immers niet van af. Het wegnemen van de prikkel om ondernemingen te concentreren lijkt zelfs een belangrijke reden te zijn geweest om in Europa het btw-stelsel te verkiezen boven cumulatieve omzetbelastingsystemen, zoals onder meer Nederland voor 1969 had.1 Het opsplitsen van een onderneming in diverse juridische zelfstandige entiteiten behoort voor de heffing van omzetbelasting daarom geen gevolgen te hebben: een onderneming die fietsen produceert en verkoopt, behoort te allen tijde volledig recht op aftrek van voorbelasting te hebben.2 In de tweede plaats wordt bij een centraal aangestuurde financiering en centraal gecoördineerde contacten met externe aanbieders van financiële diensten een meervoudige niet-aftrekbaarheid van voorbelasting waarschijnlijker. Te denken valt aan de situatie waarin één concernvennootschap krediet aantrekt bij de bank en vervolgens op haar beurt de ingeleende gelden weer uitleent aan de overige concernonderdelen. Zowel bij de bank als de eerste concernvennootschap zal dan in beginsel nietaftrekbare voorbelasting optreden. Betoogd kan worden dat deze dubbele last het gevolg is van door belastingplichtigen gemaakte keuzes, maar echt overtuigend is dat niet als met de belasting beoogd is het economisch handelen zo min mogelijk te beïnvloeden. Ten slotte zal de cumulatie zich bij uitstek voordoen binnen concerns, omdat daar in de regel belast presterende ondernemers de afnemers zijn van de vrijgestelde financiële diensten.