Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.5.3
IX.3.5.5.3 De betekenis van art. 3:9 lid 4 BW (II)
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS362519:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Pitlo/Brahn 1987, p. 16 en Suijling II-2 1936, nr. 497.
Vgl. Hoorweg 1937, p. 542.
Zie reeds: Meijers 1924 p. 287-288, die met betrekking tot nog niet opeisbare huurtermijnen opmerkt, dat deze mede onder het hypotheekrecht vallen. Hij gaat er daarbij van uit dat de huurvorderingen bestaande vorderingen zijn. Met haar opeisbaar worden is de huurvordering evenwel een zelfstandig recht geworden die niet meer het lot van het (verhypothekeerde) moedergoed volgt (zie hierna). Vgl. ook: Westrik 1993, p. 978 en Westrik 2001, p. 68-69. Uit het arrest Van Berkel/Tribosa kan niet anders worden afgeleid. Weliswaar overweegt de Hoge Raad in dat arrest dat een hypotheekrecht naar zijn aard slechts op het verhuurde goed zelf rust en niet op de vordering ter zake van de huurpenningen (zie r.o. 3.3), maar daarbij moet worden bedacht dat de huurvordering blijkens het WUH-arrest pas ontstaat op het moment van opeisbaar worden.
Het betreft hier de op het eerste gezicht wellicht wat merkwaardige figuur van een beperkt recht dat rust op meerdere afzonderlijke goederen. Deze figuur is in ons recht echter niet onbestaanbaar. Zie bijvoorbeeld voor het oude recht, het hypotheekrecht dat mede de zelfstandige hulpzaken omvatte die door bestemming onroerend waren (art. 563 BW (oud)). Zie voor het huidige recht de scheepshypotheek die mede de in de artikelen 8:203 en 793 BW bedoelde zelfstandige roerende zaken omvat. Uit deze bepalingen blijkt bovendien dat het hypotheekrecht kan rusten op goederen die zelf geen registergoederen zijn.
De analogie met natuurlijke vruchten voert tot deze conclusie. De afscheiding van de natuurlijke vrucht leidt er niet toe dat de vrucht van meet af aan is bezwaard met het beperkte recht waarmee het vrucht genererende goed was bezwaard. Voor burgerlijke vruchten kan dit ook worden afgeleid uit het arrest Van Berkel/Tribosa (HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172, m.nt. HJS).
Dit betekent dat de pand- of hypotheekhouder van het ‘moedergoed’ niet bevoegd is de opeisbare vordering ter zake van de vrucht te innen. Dit is anders indien ook de vrucht zelf aan de pand- of hypotheekhouder van het moedergoed is verpand, al dan niet van rechtswege omdat de vrucht als een nevenrecht van de hoofdvordering kan worden beschouwd (zoals bij rente, zie nr. 979). De praktische betekenis van de regel dat de vrucht voor opeisbaarheid onder het pand- of hypotheekrecht valt, is dan ook niet zo groot. Het belang zou daarin gelegen kunnen zijn dat het pand- of hypotheekrecht op het ‘moedergoed’ de pand- of hypotheekhouder de bevoegdheid geeft de vrucht, indien gewenst, voor haar opeisbaarheid uit te winnen door middel van een afzonderlijke executoriale verkoop. Aangenomen mag worden dat de pand- of hypotheekhouder, evenals de pand- of hypotheekgever ware het moedergoed niet verpand of verhypothekeerd, bevoegd is de vrucht in het kader van een executoriale verkoop door cessie tot een zelfstandig goed te maken (waarover hierna). Bovendien geldt dat een latere cessie of verpanding van het recht op de burgerlijke vrucht de pand- of hypotheekhouder, zolang de vrucht nog niet opeisbaar is, niet kan worden tegengeworpen (zie hierna), met als gevolg dat in geval van een uitwinning van het pand- of hypotheekrecht de cessie of verpanding evenmin kan worden tegengeworpen aan de executiekoper van het verpande of verhypothekeerde ‘moedergoed’. Verder geldt dat als het pand- of hypotheekrecht op het ‘moedergoed’ de schuldenaar van de vrucht is medegedeeld, de schuldenaar voor de datum van opeisbaarheid van de vrucht slechts bevrijdend kan betalen aan de pand- of hypotheekhouder (vgl. art. 3:246 BW).
Zie bijvoorbeeld: art. 3:216 BW (vruchtgebruik) en art. 5:90 lid 1 BW (erfpacht). Indien het recht op de burgerlijke vrucht pas ontstaat op het moment van opeisbaarheid, zoals bij huurtermijnen, geldt dat het recht op de vrucht rechtstreeks ontstaat in het vermogen van de vruchtgebruiker of de erfpachter. In geval van huur passeert de huurvordering derhalve niet het vermogen van de verhuurder/rechthebbende van het ‘moedergoed’.
Indien de vordering ter zake van de vrucht pas ontstaat bij haar opeisbaar worden (zoals huurvorderingen), staat art. 3:9 lid 4 BW er evenmin aan in de weg dat bijvoorbaat over de vrucht wordt beschikt (art. 3:97 lid 1 BW).
Zie voor het oude recht: HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848, m.nt. EMM (De Boer/Haskerveenpolder), p. 1260, alsmede Meijers 1958, p. 138; Suijling V 1940, nr. 71; Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 3-I 1985, nr. 101 en Pitlo/Brahn 1987, p. 16. Zie ook: Verhagen & Rongen 2000, p. 63. Voor natuurlijke vruchten bestaat deze mogelijkheid niet. Een levering bij voorbaat maakt een natuurlijke vrucht niet reeds voor haar afscheiding tot een zelfstandige zaak.
Dit laatste geldt overigens ook in het geval het recht op de vrucht een toekomstige vordering is (zoals een huurvordering). Door het recht op de burgerlijke vrucht voor haar opeisbaarheid te (retro)cederen aan de rechthebbende van het moedergoed wordt de vrucht weer bij het moedergoed gevoegd. Vanaf dat moment valt de vrucht weer onder het vruchttrekkingsrecht van de rechthebbende van het moedergoed. In het geval het recht op de burgerlijke vrucht is bezwaard met een beperkt recht, geldt iets soortgelijks. Indien het beperkte recht eindigt voor de opeisbaarheid van de vrucht, verliest de vrucht haar zelfstandigheid weer.
Denk aan vruchtgebruik, erfpacht, pand en hypotheek.
Hetgeen alleen het geval is, indien de vrucht reeds voor opeisbaarheid als een bestaande vordering kan worden aangemerkt.
Vgl. met betrekking tot hypotheek: Meijers 1924, p. 287-288.
Vaak betreft het onderhandse of openbare staatsleningen waarvan het recht op rente en het recht op hoofdsom gescheiden van elkaar in de kapitaalmarkt worden verhandeld. Door het recht op rente en het recht op hoofdsom van elkaar te scheiden, worden synthetische ‘zero-coupons’ gecreëerd. Een zero-coupon lening is een lening die tegen een disagio worden uitgegeven en waarop geen rente wordt vergoed. Zie nader: Maatman 1998, p. 163 e.v.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 529 en Suijling II-1 1934, nr. 233. Anders: Biemans 2011, nr. 386, die op grond van een naar mijn mening onjuiste interpretatie van de parlementaire geschiedenis van mening is dat de cedent het recht op rente niet kan voorbehouden.
Een andere mogelijkheid is dat op de hoofdvordering een recht van vruchtgebruik wordt gevestigd. Zie hierna: noot 342.
Zie voor dit laatste: TM en NvW, Parl. Gesch. Boek 6, p. 529 en p. 533. Vgl. Commissie Boek 6 NBW, p. 267.
Indien de rentevordering reeds voor haar opeisbaarheid als een bestaande (maar onzelfstandige) vordering moet worden beschouwd, geldt bovendien dat in geval van een eerdere cessie van de rentevordering de cedent ten tijde van de cessie van de hoofdvordering niet meer gerechtigd is tot de rentevordering, zodat hij niet meer kan overdragen dan de hoofdvordering. Vgl. Suijling II-1 1934, nr. 233.
Zie nr. 395.
Teneinde dit te voorkomen zou er in plaats van een cessie van het recht op rente, op de hoofdvordering een recht van vruchtgebruik gevestigd kunnen worden. Op grond van het vruchttrekkingsrecht komt het recht op rente toe aan de vruchtgebruiker (art. 3:216 BW). In de akte van vestiging zou bovendien bepaald kunnen worden dat de rechthebbende van de hoofdvordering bevoegd blijft de hoofdvordering te innen (zie art. 3:210 BW). Het recht van vruchtgebruik is een absoluut recht dat de curator in het faillissement van de vruchtgebruikgever of de cessionaris van de hoofdvordering kan worden tegengeworpen. Een andere mogelijkheid is dat alvorens de rentedragende vorderingen te ‘strippen’ de vorderingen worden overgedragen aan een faillissementsbestendig SPV. Het SPV verkrijgt als gevolg van de cessie van de hoofdvordering van rechtswege het recht op rente als nevenrecht. Dit geldt ook indien de cedent na de cessie maar voor het opeisbaar worden van een rentetermijn in staat van faillissement komt te verkeren. Zie over het gebruik van een SPV: Maatman 1998, p. 185.
De cessie heeft niet tot gevolg dat het rentebeding op de cessionaris overgaat. De cessionaris verkrijgt enkel de daaruit voortvloeiende rentevordering(en). Anders: Biemans 2011, nr. 382.
Zolang de rente als een nevenrecht heeft te gelden, impliceert een verpanding van de hoofdvordering van rechtswege ook een verpanding van de rentevordering. In de verpanding van de hoofdvordering zijn ook de voor pandrecht vatbare nevenrechten begrepen, zie nr. 979.
In geval van een eerdere verpanding van de hoofdvordering wordt de rentevordering door de cessionaris bezwaard met pandrecht verkregen. In geval van een eerder op de hoofdvordering gevestigd recht van vruchtgebruik wordt de rentevordering verkregen door de vruchtgebruiker op grond van zijn vruchttrekkingsrecht (art. 3:216 BW). De cessionaris van de rentevordering staat met lege handen.
Zie nr. 979.
Dit betekent dat als de pandhouder de hoofdvordering executeert door cessie, de executiekoper op grond van art. 6:142 BW van rechtswege ook de rentevordering verkrijgt als nevenrecht.
Vgl. voorts: HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172, m.nt. HJS (Van Berkel/Tribosa).
898. Betekenis van de regel dat de burgerlijke vrucht voor haar opeisbaar worden een onzelfstandig recht is. De vraag rijst wat het betekent dat het recht op de vrucht, indien het al voor de opeisbaarheid is ontstaan, op grond van art. 3:9 lid 4 BW een onzelfstandig recht is. Het antwoord kan worden gevonden aan de hand van de ratio van de bepaling: het creëren van duidelijkheid omtrent de goederenrechtelijke status van het recht op de vrucht.
Het onzelfstandige karakter brengt met zich dat de vordering ter zake van de vrucht, hoewel het een bestaand recht kan zijn, goederenrechtelijk nog geen zelfstandig bestaan leidt. Goederenrechtelijk volgt de (bestaande) vordering, zolang het een onzelfstandig recht is, het lot van het goed dat de vrucht genereert.1 Dit betekent onder andere dat de overdracht van het ‘moedergoed’ van rechtswege leidt tot een overgang van het recht op de vrucht op de verkrijger van het ‘moedergoed’.2 Evenzo leidt een bezwaring van het ‘moedergoed’ met een beperkt recht van rechtswege tot een bezwaring van de vrucht.3 Een op het goed gevestigd pand- of hypotheekrecht omvat zodoende mede de nog niet vervallen vruchten.4
Indien de burgerlijke vrucht opeisbaar wordt, wordt zij een zelfstandig recht en volgt zij niet langer het goederenrechtelijke lot van het ‘moedergoed’. De vrucht valt vanaf dat moment niet meer onder het pand- of hypotheekrecht waarmee het ‘moedergoed’ was bezwaard.5,6 Indien het vruchttrekkingsrecht toekomt aan een ander dan de rechthebbende van het ‘moedergoed’, gaat het recht op de burgerlijke vrucht op het moment van haar opeisbaarheid van rechtswege op die ander over.7
Het gegeven dat een bestaande vordering ter zake van een burgerlijke vrucht voor haar opeisbaarheid een onzelfstandig goed is, staat er niet aan in de weg dat de schuldeiser reeds voor de opeisbaarheid over de vrucht als bestaand goed kan beschikken.8 Voor wat betreft de burgerlijke vruchten moet art. 3:9 lid 4 BW, evenals art. 557 (oud) BW, worden aangemerkt als een regel van uitleg die toelaat dat de schuldeiser het recht op de vrucht door een overeenkomst tot een zelfstandig recht maakt. Dit is onder andere mogelijk door het recht op de vrucht te cederen of te bezwaren met een beperkt recht (pandrecht, vruchtgebruik).9 De goederenrechtelijke lotsverbondenheid tussen het recht op de vrucht en het ‘moedergoed’ wordt daarmee doorbroken. De cessie van het recht op de vrucht heeft bovendien tot gevolg dat de vrucht wordt onttrokken aan het vruchttrekkingsrecht van de rechthebbende (cedent) of een latere genotsgerechtigde (vruchtgebruiker, erfpachter) van het vruchtgenererende goed.10 Voorts geldt dat een cessie van het recht op de burgerlijke vrucht, voor zover deze onder een eerder op het ‘moedergoed’ gevestigd beperkt recht11 valt,12 de beperkt gerechtigde niet kan worden tegengeworpen.13
899. Belang voor de rechtspraktijk; STRIPS. Het voorgaande is voor de rechtspraktijk in het bijzonder van belang voor het geval afzonderlijk over het recht op de burgerlijke vrucht wordt beschikt, los van het goed dat de vrucht genereert. In het bijzonder ten aanzien van rentedragende vorderingen komt het in de financiële praktijk voor dat het recht op rente en het recht op hoofdsom van elkaar worden gescheiden en afzonderlijk worden verhandeld. Men spreekt van zogeheten STRIPS.14
Het recht op rente zou van de hoofdvordering kunnen worden gescheiden doordat (i) de cedent de rentevordering(en) cedeert voorafgaand aan de cessie van de hoofdvordering of doordat (ii) de cedent de rentevordering(en) voorbehoudt bij cessie van de hoofdvordering.15,16 In beide gevallen is een cessie van de hoofdvordering niet van invloed op de rechtspositie van de verkrijger van de rentevordering. De cessionaris van de hoofdvordering kan geen aanspraak maken op de rente. De cessie of het voorbehouden van de rentevordering heeft tot gevolg dat het recht op rente wordt onttrokken aan het vruchttrekkingsrecht van de rechthebbende van de hoofdvordering en bovendien dat het recht op rente ook geen nevenrecht meer is van de hoofdvordering.17 Dit geldt zowel in het geval dat de rentevordering moet worden aangemerkt als een bestaande vordering, als in het geval het een toekomstige vordering betreft.18
De vraag of nog niet vervallen rentetermijnen als bestaande of als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt, is van groot belang voor het geval de cedent failleert. Indien het toekomstige vorderingen zijn,19 staat het faillissement aan een geldige cessie in de weg voor zover het rentetermijnen betreft die na de faillietverklaring vervallen (art. 23, 35 lid 2 Fw).20 Een mogelijk faillissement van de cessionaris van de hoofdvordering verhindert een geldige cessie van de rentetermijnen daarentegen niet. De cessionaris van de rentevordering verkrijgt de rentevordering niet via het vermogen van de cessionaris van de hoofdvordering, maar via het vermogen van de cedent, die partij is bij het rentebeding waarin de rentevordering haar ontstaansbron vindt.21
900. Bezwaring van een rentedragende vordering met pandrecht of recht van vruchtgebruik voorafgegaan of gevolgd door een cessie van de rentevordering. Een verpanding van de hoofdvordering na cessie van het recht op rente raakt de cessionaris van de rentevordering niet. Aangezien als gevolg van de cessie van het recht op rente de rentevordering geen nevenrecht meer is, omvat het pandrecht op de hoofdvordering niet ook het recht op rente. Dit geldt zowel in het geval de rentevordering een bestaande als een toekomstige vordering zou zijn.22 De rechten van de cessionaris van de rentevordering worden ook niet gefrustreerd door een na de cessie op de hoofdvordering gevestigd recht van vruchtgebruik. Ook hier geldt ongeacht of de rente een bestaande of een toekomstige vordering is, dat als gevolg van de cessie het recht op rente niet meer onder het vruchttrekkingsrecht van de vruchtgebruiker valt (vgl. art. 3:216 BW).
Indien daarentegen het pandrecht of het recht van vruchtgebruik op de hoofdvordering tot stand is gekomen voor de cessie van de rentevordering, dan geldt dat de cessie de pandhouder of de vruchtgebruiker niet kan worden tegengeworpen. 23 Dit volgt uit het absolute karakter van het pandrecht en het recht van vruchtgebruik en het daarmee verband houdende prioriteitsbeginsel. De cessionaris heeft de rechtsgevolgen van de eerdere verpanding of vestiging van vruchtgebruik te eerbiedigen. Indien de rentevordering reeds voor haar opeisbaarheid als een bestaande vordering moet worden aangemerkt, heeft de verpanding van de hoofdvordering tot gevolg dat de pandhouder van rechtswege ook een pandrecht verkrijgt op de rentevordering als nevenrecht.24 Daarbij komt dat de rentevordering tot haar opeisbaarheid een onzelfstandig goed is, zodat de rentevordering ook op die grond onder het pandrecht op de hoofdvordering valt (zie hiervoor). Door de latere cessie van het recht op rente is de rentevordering weliswaar geen nevenrecht meer, wordt het een zelfstandig goed en wordt het recht op rente onttrokken aan het vruchttrekkingsrecht van de hoofdgerechtigde, maar deze rechtsgevolgen van de cessie kunnen de pandhouder als oudere beperkt gerechtigde niet worden tegengeworpen.25 Hetzelfde geldt indien de hoofdvordering voor de cessie van de rentevordering is bezwaard met een recht van vruchtgebruik. De jongere cessie kan de rentevordering niet aan het vruchttrekkingsrecht van de vruchtgebruiker onttrekken.
Ook indien de rentevordering tot het moment van opeisbaar worden als een toekomstige vordering moet worden beschouwd, geldt op grond van het prioriteitsbeginsel dat een latere cessie bij voorbaat van de rentevordering een oudere pandhouder of vruchtgebruiker van de hoofdvordering niet kan worden tegengeworpen (vgl. het stelsel van art. 3:97 lid 2 BW).26