Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/427:427 Verplichte betaling aan de pandhouder; weigering of opschorting
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/427
427 Verplichte betaling aan de pandhouder; weigering of opschorting
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD46147:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hoogst gerangschikte openbaar pandhouder is exclusief bevoegd de verpande vordering te innen.1 De bevoegdheid van de inningsbevoegde pandhouder om nakoming van de verpande vordering te eisen, impliceert de verplichting van de debiteur om aan deze pandhouder te betalen.
De schuldenaar hoeft niet na te gaan of de pandhouder in zijn verhouding tot de pandgever bevoegd was mededeling van zijn pandrecht aan de debiteur te doen, zodat twijfel aan die bevoegdheid voor hem geen grond is om betaling aan de inningsbevoegde pandhouder te weigeren.2
Betaling aan de pandhouder mag de schuldenaar met een beroep op de onbevoegdheid van de pandhouder om nakoming te vorderen en betalingen in ontvangst te nemen uitsluitend weigeren indien (i) hij op een redelijke grond betwijfelt of degene die zich jegens hem als inningsbevoegde pandhouder voordoet inderdaad pandhouder is of (ii) er meerdere pandrechten aan hem zijn medegedeeld en hij op redelijke grond betwijfelt of de pandhouder die betaling vordert de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder is.3
Dit volgt uit de regel dat de schuldenaar die een redelijke grond heeft om aan te nemen dat de zich als inningsbevoegde pandhouder presenterende persoon dat daadwerkelijk is, zich door betaling aan hem kan bevrijden van zijn verplichting jegens zijn schuldeiser, de pandgever.4 De schuldenaar die geen redelijke grond heeft om betaling te weigeren mag, bij gebrek aan belang daarbij, betaling niet weigeren.5
Een redelijke grond om aan te nemen dat de zich als pandhouder voordoende persoon dat daadwerkelijk is, heeft de schuldenaar mijns inziens als de pandhouder hem (een kopie van) de authentieke of geregistreerde onderhandse akte overlegt waaruit de vestiging van het pandrecht op de betreffende vordering blijkt. Een redelijke grond om aan te nemen dat de pandhouder die zich als de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder voordoet dat inderdaad is, heeft de schuldenaar als hem uit de (geregistreerde) pandaktes betreffende de aan hem medegedeelde pandrechten blijkt, dat deze pandhouder inderdaad het hoogst gerangschikte pandrecht heeft.
Of met de pandakte de vordering op de schuldenaar is verpand, is een kwestie van uitleg. Het gaat daarbij om de omschrijving van de verpande vordering(en) in de pandakte én van het antwoord op de vraag of de vordering, ten tijde van het ontstaan van het pandrecht, geïndividualiseerd was.6
Zolang de schuldenaar op één van de genoemde gronden redelijkerwijs twijfelt over wie jegens hem bevoegd is de vordering te innen, mag hij de betaling van zijn schuld opschorten, zodat hij noch aan de pandgever, noch aan enige pandhouder hoeft te betalen zolang deze redelijke twijfel voortduurt.7 Voor aanpassing van de hiervoor besproken regels die van toepassing zijn op de betaling door de schuldenaar van de verpande vordering is mijns inziens geen aanleiding.