Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.5.9
II.5.9 Enige bijzonderheden bij de inkoop van diensten
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS500348:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader W.J. Horsten, ‘Gentlemen prefer bonds’, Onderneming & Financiering 2002, nr. 50, p. 52-58.
Hiernaar wordt verwezen in: Rechtbank Haarlem 8 oktober 2008, V-N 2009/5.2.4, r.o. 4.3.
HR 10 januari 2001, BNB 2001/119 (concl. A-G Van den Berge; m.nt. M.E. van Hilten).
Vgl. HvJ 22 oktober 2009, zaak C-242/08, V-N 2009/53.21, r.o. 31 (Swiss Re); HvJ 19 juli 2012, zaak C-44/11, V-N 2012/42.15, r.o. 52-54 (Deutsche Bank). Ofschoon het Hof van Justitie in de laatste zaak heeft geoordeeld dat financiële verrichtingen voor de regeling voor regels betreffende de plaats van dienst ook diensten kan omvatten die zijn uitgezonderd van de vrijstellingen in artikel 135, lid 1, onderdelen b tot en met g, Btw-richtlijn, acht ik niet goed denkbaar dat diensten die op grond van genoemde bepaling vrijgesteld zijn voor de regels betreffende de plaats van dienst geen financiële verrichtingen zijn.
Voor een totaalbeeld van de omzetbelastingpositie van houders en emittenten van obligaties kan nog kort worden stilgestaan bij de heffing van omzetbelasting over hun inkopen. Het komt immers geregeld voor dat bij emissies en andere transacties met obligaties gebruik wordt gemaakt van diensten van derde partijen, zoals banken, aanbieders van datarooms, advocaten, notarissen, fiscalisten, accountants en andere zakelijke dienstverleners. In paragraaf 4.9 is in de context van aandelen al stilgestaan bij enige bijzonderheden betreffende de plaats van dienst en de verleggingsregeling bij de inkoop van dergelijke diensten, alsmede de vrijstelling voor handelingen inzake effecten (artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968). Hetgeen daar is besproken, geldt in beginsel ook in de context van obligaties. Specifieke diensten die bij (emittenten van) obligaties nog een rol spelen, zijn die van zogeheten paying agents en kredietbeoordelaren (rating agencies).
Een paying agent draagt in opdracht van de emittent zorg voor de betaling van aflossing en interest, waarvoor de emittent hem telkens tijdig de benodigde middelen dient te verschaffen.1 Over de dienstverlening van paying agents schijnt een niet gepubliceerde brief van het Ministerie van Financiën van 23 maart 1998 te bestaan waarin wordt aangegeven dat een vrijstelling van toepassing is.2 Dat standpunt is niet onbegrijpelijk, omdat de paying agent gelden overmaakt aan de obligatiehouders en op die manier een wijziging van juridische en financiële betrekkingen tussen emittent en obligatiehouders bewerkstelligt.3 De toepasselijke vrijstelling moet mijns inziens overigens die van artikel 11, lid 1, onderdeel j, ten tweede, Wet OB 1968 zijn (voor betalingsverkeer) en niet die van artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968 (voor handelingen inzake effecten).
Kredietbeoordelaren geven een rating af op de kredietwaardigheid van de uitgever van obligaties. Deze ratings bepalen onder meer voor diverse beleggers of zij in de obligatie willen investeren of niet. Uit het arrest van de Hoge Raad in BNB 2001/119 volgt dat diensten van rating agencies niet zijn vrijgesteld.4 In dit arrest heeft de Hoge Raad deze diensten voor de regels betreffende de plaats van dienst aangemerkt als diensten sui generis en niet als financiële verrichtingen. In dit oordeel ligt besloten dat de diensten ook geen vrijgestelde financiële diensten (effectenbemiddeling) in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968 kunnen zijn.5 Daar valt naar mijn mening weinig op af te dingen.