Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/296
296 Terminologie
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 28-05-2025
- Datum
28-05-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13552:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Bij zaaksvervanging ingevolge art. 3:229 BW is het vervangende goed steeds een vorderingsrecht; zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Van Mierlo 3-III 2003, nr. 25. Ook bij zaaksvervanging ingevolge art. 3:246 lid 5 BW kan het vervangende goed een vorderingsrecht zijn. Dat is het geval als de verpande vordering giraal wordt betaald of een vordering tot levering van een vordering wordt geïnd. Wordt de vordering chartaal betaald of wordt een vordering tot levering van een zaak geïnd, dan is het vervangende goed een roerende zaak. Zie over de inning door de pandhouder van vorderingen tot levering van een goed par. 6.3.1 hiervóór.
Vgl. Janssen 1992a, p. 170.
Sagaert 2003, nr. 7.
Asser/Mijnssen/Van Velten/Van Mierlo 3-III 2003, nr. 25. Ook Steneker 2004a en Steneker 2005 hanteren deze term.
Het verschijnsel dat een recht van pand of hypotheek van rechtswege vervangen wordt door een pandrecht op een goed (veelal een geldvordering) dat voor het object van het pand- of hypotheekrecht in de plaats treedt, wordt veelal zaaksvervanging genoemd. De term ‘zaaksvervanging’ is om een aantal redenen echter niet geheel zuiver. Ten eerste kan het verschijnsel zich niet alleen bij zaken, maar ook bij andere goederen zoals vorderingen voordoen en is het vervangende goed vrijwel nooit een zaak maar vrijwel steeds een vorderingsrecht.1 Ten tweede is niet steeds sprake van volledige vervanging: gaat het oorspronkelijke object van het pand- of hypotheekrecht niet teniet maar vermindert dit in waarde, dan zal het pand- of hypotheekrecht op het oorspronkelijke object blijven bestaan naast het pandrecht op de vordering ter vergoeding van de waardevermindering.2
Sagaert hanteert in zijn Vlaamse dissertatie over zaaksvervanging, waarin hij ook het Nederlandse recht behandelt, de term ‘zakelijke subrogatie’, om de reden dat deze term duidelijk tot uitdrukking brengt dat een rechtsverhouding wordt gecontinueerd ondanks de (gedeeltelijke) vervanging van een essentieel bestanddeel (het pandrecht) van die rechtsverhouding.3 Voor Nederlands recht zou de term ‘goederenrechtelijke subrogatie’ het juiste equivalent zijn. Vanwege het tongbrekende karakter van deze aanduiding sluit ik mij aan bij de in het Asser-deel Zekerheidsrechten gehanteerde term ‘substitutie’.4 De betekenis van ‘substitutie’ is op zichzelf weliswaar zo ruim dat deze term geen in alle opzichten onderscheidende beschrijving van het hier bedoelde verschijnsel is, maar de context waarin de term wordt gehanteerd zal wel voorkomen dat twijfel ontstaat over de vraag of er inderdaad goederenrechtelijke subrogatie mee bedoeld wordt.