Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:219 BW:Herroeping aanbod
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:219 BW
Herroeping aanbod
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. H.M. Wattendorff, actueel t/m 16-02-2026
Actueel t/m
16-02-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. H.M. Wattendorff
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:219 BW
Art. 6:219 BW geeft als hoofdregel dat een aanbod kan worden herroepen. De herroeping is, evenals het aanbod zelf, een eenzijdige, gerichte rechtshandeling. De herroeping ontneemt de werking aan het aanbod zodat een daarna gedane aanvaarding geen overeenkomst tot stand doet komen.
De stelplicht en de bewijslast van de feiten die een herroeping impliceren, rusten krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv op de partij die zich op de herroeping van het aanbod beroept, doorgaans de partij die het aanbod had gedaan. Het is dus niet aan de partij die zich op de overeenkomst beroept om te bewijzen dat sprake is van een niet-herroepen aanbod. De herroeping van een gedaan aanbod zal doorgaans worden ingeroepen ter bestrijding van een op een overeenkomst gegronde vordering of verweer. In dat geval is dus sprake van een zelfstandig of bevrijdend verweer. De partij die de herroeping moet bewijzen, dient verklaringen en/of gedragingen en/of andere omstandigheden te bewijzen die met toepassing van de wilsvertrouwensleer c.q. het Haviltexcriterium leiden tot de conclusie dat van een herroeping sprake is; zie het commentaar op art. 3:33 en 3:35 BW. Daarnaast dient deze partij te bewijzen dat de herroeping de andere partij heeft bereikt (art. 3:37 BW).
Tijdigheid herroeping
Volgens de eerste volzin van lid 2 kan de herroeping slechts plaatsvinden zolang het aanbod niet is aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding, is verzonden.
De vraag kan worden gesteld of de partij die zich op herroeping beroept, naast het feit van de herroeping zelf ook moet bewijzen dat die herroeping heeft plaatsgevonden voordat het aanbod is aanvaard dan wel een mededeling houdende aanvaarding is verzonden. Dit zal uiteraard alleen aan de orde komen als het partijdebat daartoe aanleiding geeft (met andere woorden: als de wederpartij zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat reeds een aanvaarding had plaatsgevonden dan wel was verzonden). Denkbaar is ook dat de partij die zich op de (totstandkoming van de) overeenkomst beroept, moet bewijzen dat zij het aanbod reeds had aanvaard dan wel de aanvaarding reeds had verzonden voordat de herroeping haar bereikte. Stelplicht en bewijslast ter zake van aanbod en aanvaarding rusten immers op laatstbedoelde partij. Het lijkt, mede gezien de formulering van de regel (āHerroeping kan slechts plaatsvinden zolangā en niet āGeen herroeping kan plaatsvinden indienā), in overeenstemming met de hoofdregel van bewijslastverdeling te zijn dat de partij die zich op de herroeping beroept, in voorkomend geval ook dient te bewijzen dat die herroeping tijdig was, dat wil zeggen voordat de aanvaarding had plaatsgevonden dan wel een mededeling houdende aanvaarding was verzonden.1 Betwist de partij die zich op herroeping beroept echter dĆ t aanvaarding heeft plaatsgevonden, dan rust de bewijslast daarvan op de partij die zich op de overeenkomst beroept (zie het commentaar op art. 6:217 BW). Vaak zal in de praktijk uit laatstgenoemd bewijs ook volgen op welk tijdstip is aanvaard dan wel de mededeling houdende aanvaarding is verzonden.
Stel dat bij brief van 20 juli door een werkgever een aanbod wordt gedaan, dat bij brief van 13 september door de werkgever wordt herroepen, waarna het aanbod bij brief van 11 oktober door de werknemer wordt aanvaard2; de werknemer stelt een op de overeenkomst gegronde vordering in tegen de werkgever. De werkgever voert primair aan dat geen aanvaarding heeft plaatsgevonden en subsidiair dat hij het aanbod heeft herroepen. De werknemer dient dan te bewijzen dat zijn aanvaardingsbrief de werkgever heeft bereikt. Indien de werknemer betwist dat herroeping heeft plaatsgevonden, rust op de werkgever de (stelplicht en de) bewijslast dat de brief houdende herroeping de werknemer heeft bereikt. Betwist de werknemer dat de herroepingsbrief hem heeft bereikt voordat hij de brief houdende aanvaarding heeft verzonden, dan moet de werkgever bewijzen dat de brief van 13 september de werknemer heeft bereikt voordat deze zijn brief van 11 oktober verzond. Gelet op het uiteen liggen van deze data en op grond van algemene ervaringsregels rond het bezorgen van post, zal dit bewijs eventueel op voorhand geleverd kunnen worden geacht, waarna de werknemer eventueel kan worden toegelaten tot tegenbewijs (mits hij voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de herroepingsbrief hem tijdig heeft bereikt, bijvoorbeeld doordat deze was zoekgeraakt in de post of aanvankelijk verkeerd bezorgd). Indien echter herroeping en aanvaarding in de tijd dicht op elkaar liggen, zal dit bewijs voor de partij die zich op de herroeping beroept, moeilijker te leveren zijn. Stel dat in het voorbeeld de aanvaardingsbrief dateert van 14 september. Ook hier dient, bij voldoende betwisting, de werknemer te bewijzen dat de aanvaardingsbrief de werkgever heeft bereikt. De werkgever dient vervolgens te bewijzen dat zijn herroepingsbrief van 13 september de werknemer reeds had bereikt voordat deze zijn aanvaardingsbrief van 14 september verzond. De werkgever kan hiertoe bijvoorbeeld bewijzen dat de werknemer op 14 september met een derde heeft gesproken over de ontvangst van de brief houdende herroeping, dat de post ter plaatse dagelijks rond een bepaald tijdstip in de ochtend wordt bezorgd en/of dat de werknemer de aanvaardingsbrief eerst aan het eind van de dag aan Post NL heeft aangeboden.
Schriftelijke communicatie vindt tegenwoordig hoofdzakelijk langs elektronische weg plaats, waardoor tijdstippen van verzending en ontvangst veelal gemakkelijker te bewijzen zijn. Dit neemt niet weg dat ook bij elektronische communicatie vragen van stelplicht en bewijslast kunnen opkomen, bijvoorbeeld als de verzending of ontvangst van een e-mail wordt betwist. Daarbij gelden dezelfde regels voor de stelplicht en de bewijslastverdeling.
Vrijblijvend aanbod
De tweede volzin van lid 2 bepaalt dat de herroeping van een aanbod nog onverwijld na de aanvaarding kan geschieden indien het aanbod de mededeling bevat dat het vrijblijvend wordt gedaan. Dit is een uitzondering op de regel dat een aanbod slechts kan worden herroepen zolang het niet is aanvaard. De aanbieder die zich beroept op een na de aanvaarding gedane herroeping dient overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv te bewijzen dat het aanbod de mededeling bevatte dat het vrijblijvend werd gedaan.
Uitzonderingen op herroepelijkheid aanbod
Het slot van art. 6:219 lid 1 BW bevat een uitzondering op het in het algemeen herroepelijk zijn van het aanbod: ātenzij het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgtā. Gelet op deze tenzij-formulering, waaruit het uitzonderingskarakter van onherroepelijkheid volgt, rust de bewijslast van (feiten die wijzen op) onherroepelijkheid van het aanbod op de partij die zich op die onherroepelijkheid beroept, doorgaans de partij tot wie het aanbod was gericht. Of het aanbod een termijn voor de aanvaarding inhoudt dan wel de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgt, is een kwestie van uitleg van het aanbod met behulp van de wilsvertrouwensleer. Zo behoeft het enkele feit dat het aanbod een termijn bevat nog niet te betekenen dat dit een termijn voor aanvaarding is; de vermelding van een termijn in het aanbod kan ook tot doel hebben het tijdstip vast te leggen waarop het aanbod in elk geval wegens tijdsverloop vervalt (vgl. art. 6:221 BW). De wederpartij van de aanbieder moet dus verklaringen, gedragingen en/of andere omstandigheden stellen en bewijzen die met toepassing van de wilsvertrouwensleer leiden tot de conclusie dat het aanbod onherroepelijk is.3
Optiebeding
Lid 3 ziet op een bepaald type onherroepelijk aanbod, te weten het beding waarbij een partij zich verbindt om, indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst te sluiten (in de praktijk vaak aangeduid als een optie). Een dergelijk beding geldt in beginsel als een onherroepelijk aanbod. In beginsel, want uit het beding, een andere rechtshandeling of de gewoonte kan voortvloeien dat het (toch) geen onherroepelijk aanbod behelst, art. 6:217 lid 2 BW.4 Het is de vraag of lid 3 een wijziging brengt in hetgeen geldt voor het bewijs van de onherroepelijkheid van het aanbod in het algemeen (onherroepelijkheid moet worden bewezen door de wederpartij van de aanbieder, zie hiervoor).5 Lid 3 zou kunnen meebrengen dat het bij een beding van de daarin genoemde inhoud de partij is die stelt dat het aanbod herroepelijk is, die de tot die conclusie leidende feiten dient te stellen en te bewijzen. Die partij beroept zich immers op een afwijking van hetgeen op grond van lid 3 geldt; zie het commentaar op art. 6:217 lid 2 BW. Aangezien lid 3 zelf reeds een uitzondering vormt op de hoofdregel dat een aanbod herroepelijk is, is ook verdedigbaar dat art. 6:219 lid 3 BW de bewijslast ten aanzien van de (on)herroepelijkheid niet omkeert, maar leidt tot een vermoeden van een bepaalde uitleg (te weten onherroepelijkheid), waarna de partij die die uitleg betwist, kan worden toegelaten tot tegenbewijs (mits deze daartoe voldoende feiten heeft gesteld). Vgl. het commentaar op art. 3:33-3:35 BW. Het bewijsrisico zou dan conform de hoofdregel blijven rusten op de partij die betoogt dat sprake is van een onherroepelijk aanbod.
Anders ten aanzien van het Weens Koopverdrag Christiaans en Van Wechem, T&C Vermogensrecht, art. 16 Weens Koopverdrag, aant. 1, waarin wordt vermeld dat het bewijs dat de aanvaarding reeds eerder was verzonden bij de ontvanger van het aanbod ligt.
Het betreft hier overigens het bewijs van de uitleg van een rechtshandeling met behulp van de wilsvertrouwensleer en niet het bewijs van een zuiver feit, vgl. het commentaar op art. 3:33-3:35 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:219 BW
Herroeping aanbod
mr. H.M. Wattendorff, actueel t/m 16-02-2026
16-02-2026
01-01-1992 tot: -
mr. H.M. Wattendorff
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:219 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 219
Hoofdregel
Art. 6:219 BW geeft als hoofdregel dat een aanbod kan worden herroepen. De herroeping is, evenals het aanbod zelf, een eenzijdige, gerichte rechtshandeling. De herroeping ontneemt de werking aan het aanbod zodat een daarna gedane aanvaarding geen overeenkomst tot stand doet komen.
De stelplicht en de bewijslast van de feiten die een herroeping impliceren, rusten krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv op de partij die zich op de herroeping van het aanbod beroept, doorgaans de partij die het aanbod had gedaan. Het is dus niet aan de partij die zich op de overeenkomst beroept om te bewijzen dat sprake is van een niet-herroepen aanbod. De herroeping van een gedaan aanbod zal doorgaans worden ingeroepen ter bestrijding van een op een overeenkomst gegronde vordering of verweer. In dat geval is dus sprake van een zelfstandig of bevrijdend verweer. De partij die de herroeping moet bewijzen, dient verklaringen en/of gedragingen en/of andere omstandigheden te bewijzen die met toepassing van de wilsvertrouwensleer c.q. het Haviltexcriterium leiden tot de conclusie dat van een herroeping sprake is; zie het commentaar op art. 3:33 en 3:35 BW. Daarnaast dient deze partij te bewijzen dat de herroeping de andere partij heeft bereikt (art. 3:37 BW).
Tijdigheid herroeping
Volgens de eerste volzin van lid 2 kan de herroeping slechts plaatsvinden zolang het aanbod niet is aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding, is verzonden.
De vraag kan worden gesteld of de partij die zich op herroeping beroept, naast het feit van de herroeping zelf ook moet bewijzen dat die herroeping heeft plaatsgevonden voordat het aanbod is aanvaard dan wel een mededeling houdende aanvaarding is verzonden. Dit zal uiteraard alleen aan de orde komen als het partijdebat daartoe aanleiding geeft (met andere woorden: als de wederpartij zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat reeds een aanvaarding had plaatsgevonden dan wel was verzonden). Denkbaar is ook dat de partij die zich op de (totstandkoming van de) overeenkomst beroept, moet bewijzen dat zij het aanbod reeds had aanvaard dan wel de aanvaarding reeds had verzonden voordat de herroeping haar bereikte. Stelplicht en bewijslast ter zake van aanbod en aanvaarding rusten immers op laatstbedoelde partij. Het lijkt, mede gezien de formulering van de regel (āHerroeping kan slechts plaatsvinden zolangā en niet āGeen herroeping kan plaatsvinden indienā), in overeenstemming met de hoofdregel van bewijslastverdeling te zijn dat de partij die zich op de herroeping beroept, in voorkomend geval ook dient te bewijzen dat die herroeping tijdig was, dat wil zeggen voordat de aanvaarding had plaatsgevonden dan wel een mededeling houdende aanvaarding was verzonden.1 Betwist de partij die zich op herroeping beroept echter dĆ t aanvaarding heeft plaatsgevonden, dan rust de bewijslast daarvan op de partij die zich op de overeenkomst beroept (zie het commentaar op art. 6:217 BW). Vaak zal in de praktijk uit laatstgenoemd bewijs ook volgen op welk tijdstip is aanvaard dan wel de mededeling houdende aanvaarding is verzonden.
Stel dat bij brief van 20 juli door een werkgever een aanbod wordt gedaan, dat bij brief van 13 september door de werkgever wordt herroepen, waarna het aanbod bij brief van 11 oktober door de werknemer wordt aanvaard2; de werknemer stelt een op de overeenkomst gegronde vordering in tegen de werkgever. De werkgever voert primair aan dat geen aanvaarding heeft plaatsgevonden en subsidiair dat hij het aanbod heeft herroepen. De werknemer dient dan te bewijzen dat zijn aanvaardingsbrief de werkgever heeft bereikt. Indien de werknemer betwist dat herroeping heeft plaatsgevonden, rust op de werkgever de (stelplicht en de) bewijslast dat de brief houdende herroeping de werknemer heeft bereikt. Betwist de werknemer dat de herroepingsbrief hem heeft bereikt voordat hij de brief houdende aanvaarding heeft verzonden, dan moet de werkgever bewijzen dat de brief van 13 september de werknemer heeft bereikt voordat deze zijn brief van 11 oktober verzond. Gelet op het uiteen liggen van deze data en op grond van algemene ervaringsregels rond het bezorgen van post, zal dit bewijs eventueel op voorhand geleverd kunnen worden geacht, waarna de werknemer eventueel kan worden toegelaten tot tegenbewijs (mits hij voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de herroepingsbrief hem tijdig heeft bereikt, bijvoorbeeld doordat deze was zoekgeraakt in de post of aanvankelijk verkeerd bezorgd). Indien echter herroeping en aanvaarding in de tijd dicht op elkaar liggen, zal dit bewijs voor de partij die zich op de herroeping beroept, moeilijker te leveren zijn. Stel dat in het voorbeeld de aanvaardingsbrief dateert van 14 september. Ook hier dient, bij voldoende betwisting, de werknemer te bewijzen dat de aanvaardingsbrief de werkgever heeft bereikt. De werkgever dient vervolgens te bewijzen dat zijn herroepingsbrief van 13 september de werknemer reeds had bereikt voordat deze zijn aanvaardingsbrief van 14 september verzond. De werkgever kan hiertoe bijvoorbeeld bewijzen dat de werknemer op 14 september met een derde heeft gesproken over de ontvangst van de brief houdende herroeping, dat de post ter plaatse dagelijks rond een bepaald tijdstip in de ochtend wordt bezorgd en/of dat de werknemer de aanvaardingsbrief eerst aan het eind van de dag aan Post NL heeft aangeboden.
Schriftelijke communicatie vindt tegenwoordig hoofdzakelijk langs elektronische weg plaats, waardoor tijdstippen van verzending en ontvangst veelal gemakkelijker te bewijzen zijn. Dit neemt niet weg dat ook bij elektronische communicatie vragen van stelplicht en bewijslast kunnen opkomen, bijvoorbeeld als de verzending of ontvangst van een e-mail wordt betwist. Daarbij gelden dezelfde regels voor de stelplicht en de bewijslastverdeling.
Vrijblijvend aanbod
De tweede volzin van lid 2 bepaalt dat de herroeping van een aanbod nog onverwijld na de aanvaarding kan geschieden indien het aanbod de mededeling bevat dat het vrijblijvend wordt gedaan. Dit is een uitzondering op de regel dat een aanbod slechts kan worden herroepen zolang het niet is aanvaard. De aanbieder die zich beroept op een na de aanvaarding gedane herroeping dient overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv te bewijzen dat het aanbod de mededeling bevatte dat het vrijblijvend werd gedaan.
Uitzonderingen op herroepelijkheid aanbod
Het slot van art. 6:219 lid 1 BW bevat een uitzondering op het in het algemeen herroepelijk zijn van het aanbod: ātenzij het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgtā. Gelet op deze tenzij-formulering, waaruit het uitzonderingskarakter van onherroepelijkheid volgt, rust de bewijslast van (feiten die wijzen op) onherroepelijkheid van het aanbod op de partij die zich op die onherroepelijkheid beroept, doorgaans de partij tot wie het aanbod was gericht. Of het aanbod een termijn voor de aanvaarding inhoudt dan wel de onherroepelijkheid ervan op andere wijze uit het aanbod volgt, is een kwestie van uitleg van het aanbod met behulp van de wilsvertrouwensleer. Zo behoeft het enkele feit dat het aanbod een termijn bevat nog niet te betekenen dat dit een termijn voor aanvaarding is; de vermelding van een termijn in het aanbod kan ook tot doel hebben het tijdstip vast te leggen waarop het aanbod in elk geval wegens tijdsverloop vervalt (vgl. art. 6:221 BW). De wederpartij van de aanbieder moet dus verklaringen, gedragingen en/of andere omstandigheden stellen en bewijzen die met toepassing van de wilsvertrouwensleer leiden tot de conclusie dat het aanbod onherroepelijk is.3
Optiebeding
Lid 3 ziet op een bepaald type onherroepelijk aanbod, te weten het beding waarbij een partij zich verbindt om, indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst te sluiten (in de praktijk vaak aangeduid als een optie). Een dergelijk beding geldt in beginsel als een onherroepelijk aanbod. In beginsel, want uit het beding, een andere rechtshandeling of de gewoonte kan voortvloeien dat het (toch) geen onherroepelijk aanbod behelst, art. 6:217 lid 2 BW.4 Het is de vraag of lid 3 een wijziging brengt in hetgeen geldt voor het bewijs van de onherroepelijkheid van het aanbod in het algemeen (onherroepelijkheid moet worden bewezen door de wederpartij van de aanbieder, zie hiervoor).5 Lid 3 zou kunnen meebrengen dat het bij een beding van de daarin genoemde inhoud de partij is die stelt dat het aanbod herroepelijk is, die de tot die conclusie leidende feiten dient te stellen en te bewijzen. Die partij beroept zich immers op een afwijking van hetgeen op grond van lid 3 geldt; zie het commentaar op art. 6:217 lid 2 BW. Aangezien lid 3 zelf reeds een uitzondering vormt op de hoofdregel dat een aanbod herroepelijk is, is ook verdedigbaar dat art. 6:219 lid 3 BW de bewijslast ten aanzien van de (on)herroepelijkheid niet omkeert, maar leidt tot een vermoeden van een bepaalde uitleg (te weten onherroepelijkheid), waarna de partij die die uitleg betwist, kan worden toegelaten tot tegenbewijs (mits deze daartoe voldoende feiten heeft gesteld). Vgl. het commentaar op art. 3:33-3:35 BW. Het bewijsrisico zou dan conform de hoofdregel blijven rusten op de partij die betoogt dat sprake is van een onherroepelijk aanbod.
In het Ontwerp Meijers luidde de onderhavige bepaling: āEen beding waarbij ƩƩn der partijen zich verbindt om, indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst te sluiten, geldt in geval van twijfel als een onherroepelijk aanbodā. De woorden āin geval van twijfelā zouden erop kunnen wijzen dat het bewijsrisico ligt bij de aanbieder die zich beroept op herroepelijkheid. Juist in geval van twijfel bepaalt de vraag wie het bewijsrisico heeft immers welke uitleg geldt. Deze woorden zijn later geschrapt met als toelichting dat deze overbodig zijn omdat uit wat nu art. 6:217 lid 2 BW is, reeds volgt dat de onderhavige bepaling geldt, tenzij uitleg van de betreffende overeenkomst zou meebrengen dat het anders is. Het is de vraag of men zich daarbij het onderscheid tussen omkering van de bewijslast enerzijds en het voorshands bewezen achten met toelating tot tegenbewijs anderzijds bewust was.
Voetnoten
1.
Anders ten aanzien van het Weens Koopverdrag Christiaans en Van Wechem, T&C Vermogensrecht, art. 16 Weens Koopverdrag, aant. 1, waarin wordt vermeld dat het bewijs dat de aanvaarding reeds eerder was verzonden bij de ontvanger van het aanbod ligt.
2.
Vgl. de casus die leidde tot HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0955, NJ 2006/54.
3.
Zo ook Hof Amsterdam 12 augustus 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AH7964.
4.
Zie W.L. Valk & J.J. Valk, in: T&C BW, art. 6:219 BW, aant. 6.
5.
Het betreft hier overigens het bewijs van de uitleg van een rechtshandeling met behulp van de wilsvertrouwensleer en niet het bewijs van een zuiver feit, vgl. het commentaar op art. 3:33-3:35 BW.