Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/9.3.4
9.3.4 Afstand door overeenkomst
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375604:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van de schuldenaar verhalen, tenzij zij anders overeenkomen. Ook de eigenlijke achterstelling van art. 3:277 lid 2 BW is mijns inziens een vorm van afstand van recht. Opmerkelijk is dat de achterstelling tot stand komt door een contract tussen debiteur en crediteur, terwijl degenen wier posities verbeteren als gevolg van de achterstelling, de overige crediteuren, niet hoeven in te stemmen. Dit is in de praktijk weinig bezwaarlijk nu de overige crediteuren voordeel ondervinden van de achterstelling, maar het vormt een breuk met het uitgangspunt dat je een ander niet zonder zijn goedvinden een geschenk mag opdringen. Van Hees meent dat achterstelling geen vorm van afstand is, nu geen afstand kan worden gedaan van het recht dat, voortvloeiend uit de paritas creditorum, een crediteur jegens zijn mede-crediteuren op een evenredige verdeling bij concursus zou hebben, zie A. van Hees, De achtergesteldevordering, in het bijzonder de achtergestelde geldlening, diss. Nijmegen, Deventer: Kluwer 1989, p. 94. Zoals Van Hees echter op p. 95 ook zelf lijkt te stellen, kunnen aan de paritas creditorum mijns inziens geen rehten ontleend worden. Zij is een beginsel van verhaalsrecht, dat zich vertaalt in een bepaalde rangorde van schuldeisers. Ik zie niet in waarom een schuldeiser geen afstand zou kunnen doen van zijn rang bij executie, net zoals afstand van procesrechtelijke bevoegdheden mogelijk is.
HR 22 februari 2008, JOR 2008/118; HR 28 november 2014, JOR 2015/26 m.nt. Kortmann (Snippers q.q./Rabobank).
Art. 153 Rv, art. 6:236 sub k BW.
Niet alle geschillen zijn arbitrabel. Zo oordeelde de Ondernemingskamer dat het enquêterecht het exclusieve terrein van de overheidsrechter is en dat partijen daar niet in overeenkomst of statuten afstand van kunnen doen, zie Hof Amsterdam 18 oktober 2012, AAe december 2013, p. 932 e.v. (Erasmus MC Holding/Harbour Antibodies c.s.) met zeer kritische noot van Raaijmakers.
387. Voor onderstaande voorbeelden van afstand is een overeenkomst vereist. De rechthebbende doet met een afstandsverklaring een aanbod, dat zijn wederpartij moet aanvaarden.
Afstand van beperkte rechten (art. 3:81 lid 2 sub c BW);
Afstand van een vorderingsrecht (kwijtschelding) (art. 6:160 BW);
Exoneratiebeding;
Rangwisseling van hypotheekrechten (art. 3:262 BW);
Afstand van verhaalspositie;1
Afstand van eigendomsvoorbehoud;2
Afstand van mandeligheid (art. 5:66 BW);
Bewijsovereenkomst;3
Prorogatie van rechtsmacht;4
Arbitragebeding, waarmee afstand wordt gedaan van het recht om een geschil aan de overheidsrechter voor te leggen (art. 1020 Rv).5