Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/457:457 Evaluatie van de wettelijke regeling van het (stil) pand op vorderingen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/457
457 Evaluatie van de wettelijke regeling van het (stil) pand op vorderingen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 08-07-2025
- Datum
08-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD15990:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het bestaande wettelijk systeem kan een vordering op naam in zekerheid worden gegeven door daarop een pandrecht te vestigen. De pandhouder verkrijgt daardoor een beperkt verhaalsrecht. Hij kan als separatist, buiten de pandgever of diens curator om, met voorrang verhaal nemen op de verpande vordering. In die gevallen waarin aan overdracht tot zekerheid geen behoefte is, voldoet het bestaande systeem als zodanig goed. Wel roept de regeling van het pandrecht op vorderingen in de praktijk veel vragen op. Dat komt doordat sprake is van een relatief nieuwe en summiere wettelijke regeling en van een complexe rechtsfiguur.
Voor de complexiteit van het pandrecht op vorderingen zijn twee hoofdoorzaken. De eerste hoofdoorzaak is dat bij een pandrecht op een vordering (minstens) drie partijen betrokken zijn: de pandgever, de pandhouder en de schuldenaar van de vordering. De andere hoofdoorzaak is het hybridische karakter van een vordering op naam; enerzijds heeft de rechthebbende van een vordering op naam een persoonlijk recht op een prestatie, anderzijds heeft hij een goederenrechtelijk recht op de vordering.
De huidige wettelijke regeling van het pandrecht op vorderingen op naam is summier. Dat geldt met name voor de gevolgen van de vestiging van een pandrecht en de gevolgen van het inningsbevoegd worden van de pandhouder.
In het algemeen heeft een summiere wettelijke regeling van een rechtsfiguur het voordeel dat aan de praktijk, de doctrine en de rechtspraak ruimte wordt geboden om die rechtsfiguur verder te ontwikkelen. Een té summiere wettelijke regeling kan echter leiden tot rechtsonzekerheid. De huidige regeling van het pandrecht op vorderingen op naam kent enkele leemtes waarin de wetgever mijns inziens zou moeten voorzien. Ik noem als voorbeeld het ontbreken van een wettelijke regeling voor een kwaliteitsrekening waarop een pandhouder een verpande vordering kan innen en verwijs overigens naar de hierna samengevatte aanbevelingen aan de wetgever.
Voor een enkele onderdeel van de huidige wettelijke regeling van het pandrecht op vorderingen geldt dat het positieve recht niet in overeenstemming is met de behoeften van de praktijk en met de voornoemde uitgangspunten die aan de regeling ten grondslag zouden moeten liggen en die ook grotendeels de uitgangspunten van de wetgever van 1992 zijn geweest. Voor deze onderdelen van de huidige wettelijke regeling geldt dat wetswijziging gewenst is; zie het hierna volgende overzicht van aanbevelingen aan de wetgever.