Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/11.11:11.11 Tot besluit – suggesties voor verder onderzoek
Het pre-insolventieakkoord 2016/11.11
11.11 Tot besluit – suggesties voor verder onderzoek
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het raamwerk voor een pre-insolventieakkoord dat in dit boek is geschetst, is beperkt tot hoofdlijnen en kan als kapstok voor verder onderzoek dienen. Onderwerpen die verder onderzoek en nadere uitwerking verdienen, betreffen onder meer:
de waardering in het kader van een herstructurering, waaronder de uitwerking van een efficiënte maar rechtstatelijk adequate gerechtelijke waarderingsprocedure, die ook zelfstandig los van een stemprocedure is te voeren (hoofdstuk 5 en paragraaf 8.6);
de vraag of en in hoeverre grondrechten, zoals het beginsel van openbaarheid van rechtspraak en artikel 6 EVRM, vereisen dat behandelingen in rechte en gerechtelijke beslissingen in het kader van een pre-insolventieakkoordtraject openbaar zijn (paragraaf 8.2.1);
de wenselijkheid van de instelling van een stille toezichthouder of vergelijkbare figuur en de modaliteiten daarvan (paragraaf 8.2.4);
de bedrijfsvoortzetting en de problematiek van ongeoorloofde transacties en crediteurenbenadeling in de schemerzone hangende het akkoordtraject (paragraaf 8.2.6);
de behandeling van lopende overeenkomsten in het kader van een preinsolventieprocedure (paragrafen 8.2.7-8.2.8);
de noodzaak van een liquidatie-uitkeringstest als algemeen homologatiecriterium in het licht van grondrechten (paragraaf 8.9.3.3);
de mogelijkheid om betwiste vorderingen vast te stellen bij democratisch meerderheidsbesluit (paragraaf 8.10); en
de coördinatie van en selectieregels voor concurrerende akkoorden.
De bovenstaande lijst bevat slechts enkele van de deelonderwerpen die in dit boek zijn aangestipt als punt van nader onderzoek. Verder terrein van onderzoek betreft uiteraard ook de onderwerpen die geheel buiten dit boek zijn gelaten, zoals de effectenrechtelijke, vennootschapsrechtelijke, arbeids- en medezeggenschapsrechtelijke, fiscale en internationale aspecten van een pre-insolventieakkoord.
Naar mijn verwachting zal ook na invoering van een effectieve akkoordregeling in het overgrote deel van de gevallen nog steeds een liquidatieprocedure worden gebruikt. Een dwangakkoord zal een instrument voor (de grotere) uitzonderingsgevallen blijven. Ik hoop met dit boek ook het belang van liquidatie en een efficiënte liquidatieprocedure over het voetlicht te hebben gebracht.
De thans beschikbare executieprocedures schieten tekort. Deze voorzien slechts in de executie van individuele concrete goederen en zaken. In een eenvoudige economie, waarin de aanwezige waarde voornamelijk in concrete goederen en zaken besloten ligt, is dit toereikend. In een ontwikkelde economie, zoals de Nederlandse, ligt steeds meer waarde echter besloten in contracten en de abstracte capaciteit om kasstromen te genereren met een complex aan activa en activiteiten dat als operationeel geheel meer waard is dan de inactieve samenstellende delen. Het Nederlandse executie- en insolventierecht is op contracten en een meer abstracte vorm van waarde niet toegesneden. Het ontwikkelen van een effectieve en efficiënte procedure voor de executie (liquidatie) van een onderneming als operationeel en kasstroom genererend geheel en het faciliteren van verhaal op verdiencapaciteit en waarde in abstracte vorm meer in het algemeen, is naar mijn mening braakliggend onderzoeksterrein en een gebied waarop in de verbetering van het bestaande executie- en insolventiesysteem grote winst valt te behalen.