Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.17.6
IV.17.6 De termijn voor intrekking (lid 4)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378965:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. § 48 lid 1 jo lid 4 VwVfG.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 152.
Een Ausschlussfrist, vgl. Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 205.
Dit geldt zowel ingeval sprake is van een Leistung als ingeval sprake is van een andere begunstigende beschikking. Vgl. Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 209, met een verwijzing naar § 48 lid 3 tweede volzin VwVfG.
BVerwGE 19 december 1984, bandnr. 70, 356.
Er is dus, naar de opvatting van het Bundesverwaltungsgericht, geen sprake van een zogenaamde Bearbeitungsfrist, dat wil zeggen dat de termijn begint te lopen indien het bestuursorgaan op de hoogte raakt van de onrechtmatigheid van de beschikking en dus binnen een jaar kennis van alle voor de intrekking relevante feiten dient de vergaren. Het Bundesverwaltungsgericht overweegt: ‘Wollte man dagegen die Erkenntnis der Rechtswidrigkeit des Vewaltungsakts für den Fristbeginn ausreichen lassen, so könnte der drohende Fristablauf die Behörde zu einer Entscheidung über die Rücknahme zwingen, obwohl ihr diese mangels vollständiger Kenntnis des insofern erheblichen Sachverhalts noch nicht möglich wäre. Damit würde die Jahresfrist des § 48 Abs. 4 Satz 1 VwVfG zu einer Bearbeitungsfrist für die Behörde, was dem Wortlaut der Vorschrift widerspricht und von ihrem Sinn und Zweck nicht getragen wird.’
Vgl. onder meer Maurer 2011, p. 311-312. Vgl. ook Detterbeck 2013, p. 236, die stelt dat door de uitleg die het Bundesverwaltungsgericht geeft, het begin van de termijn wel erg ver wordt uitgesteld.
Erichsen/Ehlers 2010, p. 726. Ook in die zin: Knack/Henneke 2010, § 48 VwVfG Rn. 83.
Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG Rn. 231.
Ehlers/Kallerhoff 2009, p. 834, met een verwijzing naar onder meer § 42a VwVfG, waarin de positieve fictieve beschikking is neergelegd.
Wettelijk kader
Het vierde lid van § 48 VwVfG bevat een bepaling inzake de termijn waarbinnen het bestuursorgaan gebruik moet maken van de bevoegdheid tot intrekking. Deze termijn geldt alleen indien een begunstigende beschikking wordt ingetrokken.1 Intrekking dient te geschieden binnen een jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte raakt van feiten die de Rücknahme rechtvaardigen. Aan de termijn is voldaan indien het intrekkingsbesluit voor het einde van de termijn bekend is gemaakt.2 Het betreft een fatale termijn.3 De termijn geldt niet indien de beschikking is gegeven ten gevolge van opzettelijk bedrog, bedreiging of omkoping (vgl. § 48 lid 2 derde volzin sub 1 VwVfG).4
Nadere invulling door Bundesverwaltungsgericht
Het Bundesverwaltungsgericht heeft in 1984 een belangrijke uitspraak gedaan over het tijdstip waarom de termijn van § 48 lid 4 VwVfG begint te lopen.5 Gelet op de tekst van deze bepaling is dit het geval wanneer het bestuursorgaan op de hoogte geraakt van feiten die de Rücknahme van de begunstigende beschikking rechtvaardigen. Meer concreet dient het bestuursorgaan naar het oordeel van het Bundesverwaltungsgericht op de hoogte te zijn van de onrechtmatigheid van de betreffende beschikking en dus ook van de feiten die leiden tot die onrechtmatigheid en het causaal verband tussen deze feiten en de onrechtmatigheid van de beschikking. Het Bundesverwaltungsgericht benadrukt daarbij dat alle voor de Rücknahme-beslissing relevante feiten bekend moeten zijn. Daartoe behoren ook feiten die van belang zijn voor bijvoorbeeld al dan aanwezig gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de begunstigde. Door de uitleg die het Bundesverwaltungsgericht aan § 48 lid 4 VwVfG geeft, is de termijn (niet meer dan) een beslistermijn. Dat erkent het gerecht ook zelf door te overwegen:
‘Die Frist beginnt demgemäβ zu laufen, wenn die Behörde ohne weitere Sachaufklärung objektiv in der Lage ist, unter sachgerechter Ausübung ihres Ermessens über die Rücknahme des Verwaltungsakts zu entscheiden. Das entspricht dem Zweck der Jahresfrist als einer Entscheidungsfrist, die sinnvollerweise erst anlaufen kann, wenn der zuständigen Behörde alle für die Rücknahmeentscheidung bedeutsamen Tatsachen bekannt sind.’6
Op de door het Bundesverwaltungsgericht gegeven uitleg van § 48 lid 4 VwVfG is kritiek geuit. Zo is Maurer van opvatting dat het hanteren van de termijn als een zogenaamde Entscheidungsfrist (dat wil zeggen: een termijn binnen welke het bestuursorgaan enkel een beslissing moet nemen op het moment dat alle relevante informatie reeds bekend is) geen recht doet aan het belang van bescherming van de geadresseerde van de beschikking.7 Erichsen en Ehlers stellen dat de termijn dient te gaan lopen indien de feiten die leiden tot onrechtmatigheid van de beschikking bij het bestuursorgaan bekend zijn. In hun visie zou de termijn dus meer een Bearbeitungsfrist, een behandelingstermijn, moeten zijn.8 Niet vereist voor het gaan lopen van de termijn is in die visie dat alle relevante feiten en omstandigheden bekend zijn. Het bestuursorgaan heeft immers een jaar de tijd om (nader) onderzoek te doen en uiteindelijk te beslissen of al dan niet tot intrekking wordt overgegaan. Sachs stelt dat door de uitleg die het Bundesverwaltungsgericht aan § 48 lid 4 VwVfG heeft gegeven, nauwelijks nog betekenis toe komt aan de jaartermijn.9
Ehlers en Kallerhoff stellen ten slotte dat als de termijn wordt geïnterpreteerd zoals het Bundesverwaltungsgericht dat doet, dit niet strookt met de pogingen van de wetgever om versnelling te creëren in het bestuursrecht, zoals door de introductie van de figuur van de fictieve beschikking.10