Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.5.2.5
II.4.5.2.5 Verlengstukaandeelhouders
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501496:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 11 juli 1996, zaak C-306/94, BNB 1997/38 (concl. A-G Lenz; Régie Dauphinoise; m.nt. M.E. van Hilten).
Zie bv. Hof ’s-Gravenhage 15 oktober 1997, V-N 1998/48.22.
Zie voor een andere visie: Van Norden 2007, p. 150-151.
W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘De Régie van de BTW’, WFR 1997/54, onderdeel 3.2.
J.T. Sanders, ‘Over BTW en aandelen en BTW over aandelen’, BtwBrief 1996, afl. 10, nr. 3.
HvJ 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633, r.o. 15-16 (concl. A-G Van Gerven; Polysar; m.aant. D.B. Bijl).
Zie voor een andere visie: Van Norden 2007, p. 146-147. Het is een andere kwestie of dit ook een wenselijke uitkomst is (quod non). Zie daaromtrent een analyse in par. 8.2.1 en een voorstel voor verbetering in par. 9.4.2.
HvJ 29 oktober 2009, zaak C-29/08, BNB 2010/251, r.o. 33 (concl. A-G Mengozzi; AB SKF; m.nt. J.J.P. Swinkels)
Zie ook M. Merkx, ‘VAT and Holding Companies: Position Finally Clear?’, EC Tax Review 2016, p. 49-53, onderdeel 3.
Deze lezing neemt overigens niet alle onduidelijkheden en ogenschijnlijke tegenstrijdigheden van het arrest in de zaak AB SKF weg. Zie nader par. 4.6.2.3.
In paragraaf 3.4 is in algemene zin aandacht besteed aan het verlengstukcriterium. Zoals daar is besproken, geeft het arrest in de zaak Régie Dauphinoise een goed voorbeeld van de toepassing van dat criterium.1 Dit arrest, dat handelt over beleggingen in deposito’s (leningen) door een vastgoedbeheerder als onderdeel van zijn verdienmodel voor het vastgoedbeheer, kan – mutatis mutandis – worden toegepast op beleggingen in aandelen.2 Het gaat dan om situaties waarin het verkrijgen en houden van aandelen zozeer verknocht is met werkzaamheden van andere aard die de kern van de economische activiteit vormen, dat beiden niet zonder elkaar kunnen bestaan.
Betwistbaar is of het verlengstukcriterium kan zijn vervuld bij beleggingen van tijdelijk overtollige kasmiddelen of van (strategische) deelnemingen in toeleveranciers, afnemers of concurrenten. Naar mijn mening kunnen in elk geval beleggingen van tijdelijk overtollige kasmiddelen bezwaarlijk als rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk worden aangemerkt, omdat in hun aard besloten ligt dat zij niet duurzaam zijn.3 Nieuwenhuizen stelt dat dergelijke beleggingen daardoor geen economisch karakter hebben.4 Met Sanders ben ik het eens dat die stelling niet juist is.5 Naar mijn mening kunnen beleggingen van tijdelijk overtollige kasmiddelen tot de overige werkzaamheden van een economische activiteit behoren, één en ander volgens het in paragraaf 3.5 uitgewerkte schillenmodel (zie ook par. 4.5.2.6 hierna). Deelnemingen in toeleveranciers, afnemers of concurrenten kunnen wel rechtstreeks samenhangen met een belastbare activiteit en voorts duurzaam zijn. Afhankelijk van de omstandigheden zal de noodzaak voor de belastbare activiteit beter of minder goed te beargumenteren zijn. Het ligt daarom voor de hand dat (strategische) deelnemingen in toeleveranciers, afnemers of concurrenten in elk geval onder omstandigheden een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van een belastbare activiteit zijn. In andere gevallen kunnen ook die deelnemingen tot de overige werkzaamheden behoren.
Veelvoorkomend zijn verder deelnemingen in vennootschappen die tot hetzelfde concern behoren. Voorstelbaar is dat nauwe verbanden bestaan tussen dergelijke deelnemingen en de belastbare activiteit van de aandeelhouder, bijvoorbeeld een handelsonderneming (zie voor een verder uitgewerkt voorbeeld par. 4.5.2.6 hierna). Dergelijke verbanden kunnen aanleiding zijn een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van die belastbare activiteit aanwezig te achten. Eveneens is het denkbaar dat een deelneming niet direct de belastbare activiteit van de aandeelhouder zelf baat, maar wel de activiteit van het concern als geheel. In die situatie is het verlengstukcriterium naar mijn mening niet vervuld. In de zaak Polysar is immers geoordeeld dat voor de beoordeling of een aandeelhouder een economische activiteit verricht, irrelevant is dat hij tot een concern behoort (zie par. 4.5.2.1).6 Consistent is dat de concernrelatie dan evenmin een rol speelt bij de beoordeling van het economische karakter van een deelneming als bij de aandeelhouder al een economische activiteit is vastgesteld.7 Dit betekent dat steeds sprake moet zijn van een verband met het eigen streven naar opbrengst uit prestaties onder bezwarende titel van de aandeelhouder. Als dit verband er is, maar niet volstaat voor het aannemen van een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk, dan kan de deelneming nog altijd onderdeel zijn van de overige werkzaamheden van een economische activiteit en op die manier een economisch karakter hebben.
Het verdient opmerking dat aan het arrest van het Hof van Justitie in de zaak AB SKF argumenten tegen voormelde visie zijn te ontlenen. Daarin is namelijk beslist dat een aandelenoverdracht het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit van een inmengende moedermaatschappij van een groep (concern) kan zijn als de overdracht rechtstreeks samenhangt met de organisatie van de activiteit van de groep (zie ook par. 4.6.2).8 Voor de hand ligt dat wat geldt voor aandelenoverdrachten, ook opgaat voor het verkrijgen en houden van aandelen.9 De vraag rijst of dit betekent dat het verkrijgen en houden van aandelen in andere concernonderdelen steeds een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk is van een belastbare activiteit, mits de aandeelhouder uiteraard ondernemer is. Naar mijn mening is dat niet het geval, voornamelijk vanwege de uitdrukkelijke overweging in het arrest in de zaak Polysar dat de concernrelatie irrelevant is. Weliswaar was in die zaak aan de orde of überhaupt een economische activiteit bestaat, maar ik zie geen bevredigende verklaring waarom de concernrelatie ineens wel relevant zou zijn als het om de omvang van een economische activiteit gaat. Verder is een alternatieve lezing van het arrest in de zaak AB SKF mogelijk. Hoewel het niet expliciet uit de beschrijving van het hoofdgeding blijkt, is niet uitgesloten dat de door haar ontvangen vergoedingen voor dienstverlening mede een beloning was voor bemoeienis van de inmengende moedermaatschappij met de organisatie van een concern als geheel.10 Dit zou betekenen dat de bemoeienis met de organisatie van het concern een werkzaamheid is die in dit specifieke geval tot de economische activiteit van de moedermaatschappij behoort. Bij een dergelijke lezing is begrijpelijker dat de rechtstreekse samenhang met de organisatie van de groep wel een relevante omstandigheid is.