De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/:Stellingen
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/
Stellingen
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS701867:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan. (Pippi Langkous)
De strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 273f Sr is dermate ruim dat het de kwalificatie ‘mensenhandel’ aan devaluatie onderhevig maakt.
Artikel 273f Sr kan worden vereenvoudigd door de subleden 3 tot en met 9 te schrappen en enkel sub 1 en 2 te handhaven, aangezien alleen die eerste subleden noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de internationale verplichtingen.
Artikel 273f Sr dient te worden voorzien van een duidelijke definitie van uitbuiting, te weten het door dwang, bedreiging, misleiding, misbruik van onmacht dan wel excessief misbruik van omstandigheden een ander brengen of houden in een situatie van slavernij, dienstbaarheid, gedwongen arbeid of brengen of houden tot anderszins arbeid of diensten voor het behalen van (financieel) voordeel ten koste van die ander.
De strafbaarstelling van mutually advantageous exploitation is strijdig met het schadebeginsel, maar vereist op grond van internationale verplichtingen.
Onaanvaardbare praktijken op de werkvloer die geen uitbuiting betreffen, dienen niet (meer) te worden veroordeeld op grond van artikel 273f Sr, maar kunnen worden aangepakt via andere passender strafbaarstellingen of het arbeidsrecht.
Strafbaarstellingsverplichtingen in VN-verdragen, RvE-Verdragen en EU-richtlijnen waarbij een vage en daarmee mogelijk ruime definitie van het te criminaliseren gedrag door staten overeen is gekomen, dienen niet door middel van de copy-paste-methode te worden geïmplementeerd in het Wetboek van Strafrecht.
De regulerende beginselen van het strafrecht dienen steeds veel nadrukkelijker aan de orde te worden gesteld bij het vormgeven van nieuwe strafrechtwetgeving.
Strafrechtelijk overheidsoptreden tegen gedrag dat geen inbreuk op de negatieve vrijheid van een ander behelst, dient nog beter te worden verantwoord dan overheidsoptreden tegen gedrag dat wel een negatieve inbreuk op de vrijheid van een ander met zich brengt.
De Hoge Raad dient zich bij het interpreteren van de strafwet niet te beroepen op de multi-interpretabele wetsgeschiedenis, maar op de regulerende beginselen van het strafrecht.