Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/IV.10.2.2:IV.10.2.2 Mogelijke oplossingen voor geconstateerde knelpunten
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/IV.10.2.2
IV.10.2.2 Mogelijke oplossingen voor geconstateerde knelpunten
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499094:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de in het kader van de tweede onderzoeksvraag geconstateerde knelpunten, is een aantal oplossingen onderzocht. Onderscheid is gemaakt tussen zaken die Nederland unilateraal kan regelen en zaken waarvoor wijziging van de Btw-richtlijn is vereist.
Unilaterale oplossingen die naar mijn mening aanbeveling verdienen, zijn de volgende.
Het invoeren van een optie voor belastingheffing van financiële diensten tussen onderdelen van hetzelfde concern. Een dergelijke optiemogelijkheid kan niet-aftrekbare omzetbelasting wegnemen binnen concerns die aan derden (nagenoeg) uitsluitend belast presteren. Die niet-aftrekbare omzetbelasting kan thans, bijvoorbeeld, ontstaan bij houdster- en groepsfinancieringsvennootschappen die enkel aan andere concernonderdelen vrijgesteld presteren.
Het invoeren van een verleggingsregeling bij uitoefening van de onder 1. bedoelde optie, zodat effectief geen omzetbelasting in rekening hoeft te worden gebracht over, bijvoorbeeld, verschuldigde interest. Daarvoor is op grond van artikel 395 Btw-richtlijn een machtiging van de Raad vereist.
Een algemene optie voor belastingheffing is nader onderzoek waard, maar is als aanbeveling op basis van dit onderzoek, dat zich op een beperkt terrein richt, te verstrekkend geacht. Verder kan een bredere toepassing van de normale waarde als maatstaf van heffing een instrument zijn om planning via de kapitaalsfeer tegen te gaan. De normale waarde als maatstaf van heffing vormt echter een aantasting van de rechtszekerheid. Dit valt mijns inziens enkel te rechtvaardigen indien uit nader onderzoek blijkt dat op grote schaal via de kapitaalsfeer aan belastingplanning wordt gedaan.
Aanbevelenswaardige oplossingen die een aanpassing van de Btw-richtlijn vereisen, zijn naar mijn mening verder de volgende.
Nauwkeuriger omschrijven van exploitaties van vermogensbestanddelen die als een economische activiteit moeten worden beschouwd. Werkelijk economische exploitaties overlappen naar mijn mening met de activiteit van een dienstverrichter. Alleen voor enkele specifieke exploitaties is een uitbreiding van het ondernemerschap wenselijk te noemen.
Degenen die, bijvoorbeeld als aandeelhouder, actief deelnemen aan de onderneming van een entiteit waarvan zij deels of geheel ‘eigenaar’ zijn, als ondernemer aanmerken. Hierdoor vervalt de opmerkelijke situatie dat, bijvoorbeeld, (tussen)houdstervennootschappen binnen concerns geen ondernemer zijn, terwijl zij allerminst eindverbruiker zijn.
Het recht op aftrek van voorbelasting van inmengende deelnemers in het algemeen zo regelen, dat het verschil wegvalt tussen het verkrijgen, houden en overdragen van de onderneming (activa/passiva) en het verkrijgen, houden en overdragen van een participatie in de entiteit die de onderneming drijft.
Degenen die bedrijfsmatig schuldvorderingen overnemen steeds als ondernemer aanmerken door overdrachten van schuldvorderingen aan deze personen te behandelen als ware het een overdracht van een algemeenheid van goederen of diensten.
Vervangen van artikel 12, lid 1, Btw-richtlijn door een adequate(re) regeling voor kleine ondernemers. Daarmee vervalt de anomalie dat een incidentele economische activiteit van grote omvang niet tot ondernemerschap leidt, maar een wat duurzamere economische activiteit van beperkte omvang wel.
Overdrachten van, onder meer, schuldvorderingen, deelnemingen (aandelen) en obligaties van het begrip dienst uitzonderen, tenzij sprake is van het overdragen van effecten als effectenhandelaar. Als niet langer sprake is van een vrijgestelde dienst, kunnen aan een overdracht ook geen kosten meer worden toegerekend. Deze aanbeveling hangt samen met de aanbeveling onder punt 3.
Artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet OB 1968 zodanig aanpassen, dat niet langer de plaats waar de zetel van de afnemer is gevestigd bepalend is voor het kunnen aftrekken van voorbelasting, maar waar vrijgestelde financiële diensten werkelijk worden gebruikt of geëxploiteerd.
In artikel 174, lid 2, onderdeel b en c, Btw-richtlijn opnemen dat opbrengsten uit financiële handelingen buiten de berekening van het pro rata blijven als zij hooguit een zeer beperkt gebruik vertegenwoordigen van ingekochte prestaties waarvan de kosten tot de algemene kosten behoren.
Andere mogelijke oplossingen zijn het invoeren van een grensoverschrijdende fiscale eenheid, het in zijn algemeenheid van het begrip dienst uitzonderen van transacties die geen verbruik impliceren en het invoeren van een nultarief voor financiële diensten die nu zijn vrijgesteld. Deze oplossingen zijn in het kader van dit onderzoek te ingrijpend bevonden, maar kunnen wel de moeite waard blijken te zijn op basis van nader onderzoek.