Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/5.5.3
5.5.3 Pandrecht, overdracht en beslag
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379243:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rongen 2012, nr. 926.
HR 15 november 1957, NJ 1958/67 m.nt. LEHR. Zie ook de latere standaardarresten op het gebied van de precontractuele verhouding, HR 18 juni 1982, NJ 1983/723 m.nt CJHB (Plas/Valburg); HR 12 augustus 2005, NJ 2005/467 (CBB/JPO).
Verdaas 2008, p. 158; Schoordijk 1986, p. 322.
Zie nog anders: C. Spierings, ‘Vragen over het aanbod’, RM Themis 2013-3, p. 113-114.
Verdaas 2008, p. 160. Zie ook de verwijzingen bij Rongen 2012, nr. 945 en voetnoot 584.
Rongen 2012, nr. 946.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, p. 1337 (MvA II Inv.); HR 17 februari 2012, NJ 2012/605.
Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w., p. 156-159 (MvA I Inv.); Verdaas 2008, p. 159-160.
Rongen 2012, nr. 946; HR 7 juni 1929, NJ 1929, p. 1285 m.nt. PS (Postgiro); HR 25 februari 1932, NJ 1932, p. 301 (Ontvanger/Schermer).
HR 23 mei 2014, JOR 2014/252 m.nt. Schuijling (ABN Amro/UBO 35).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 531 (MvA).
Snijders verwijst voor steun voor de ruime interpretatie van art. 3:83 lid 3 BW naar Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 312 en Asser / Mijnssen & De Haan 3-I 1992/249.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 314; A. Steneker, annotatie bij Rb. Rotterdam 29 augustus 2008, JBPR 2008/62.
Zie ook W. Snijders 1999 I, p. 565.
HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203, m.nt. HJS.
Voor het afwijzen van de mogelijkheid van beslag op kredietruimte gelden specifieke bezwaren, zoals het feit dat dàt wilsrecht niet geëxecuteerd kan worden door de beslaglegger, nu het overgedragen noch zinvol (i.v.m. de verrekeningsbevoegdheid van de bank) uitgeoefend kan worden door de beslaglegger, zie r.o. 3.3-3.6. Bovendien zou de beslagene zijn wilsrecht niet langer willen uitoefenen, omdat hij door het beslag geen profijt zou hebben van het hogere krediet, maar uitoefening wel zou leiden tot een hogere vordering van de bank op hem. Dit zou de financieringspraktijk in Nederland ernstig beperken. Zie ook A.J. Verdaas, ‘Beslag op kredietruimte: het eindspel’, WPNR 6615 (2005), p. 245.
Steneker 2008. In NTBR 2005/31, p. 178 schreef Steneker nog dat beslag op een afzonderlijk wilsrecht niet mogelijk was.
R.o. 3.6.
W. Snijders 1999 II, p. 584. Steneker 2008 wijst op art. 479m lid 1 jo. 479p lid 1 Rv.
W. Snijders 1999 II, p. 584; Steneker 2008, nr. 5.
241. Men kan zich de vraag stellen of op deze vermogensrechten een pandrecht kan worden gevestigd, of deze rechten overdraagbaar zijn en of ze vatbaar zijn voor beslag door de schuldeisers van de geadresseerde.
242. Openbare cessie en openbare verpanding van de toekomstige vordering tot nakoming van de overeenkomst is mogelijk, behoudens de beperkingen die daaraan zijn gesteld in art. 3:97 BW. Voor stille cessie en verpanding is ingevolge art. 3:94 lid 3 jo. art. 3:239 BW vereist dat de toekomstige vordering rechtstreeks verkregen wordt uit een op het tijdstip van levering of vestiging reeds bestaande rechtsverhouding. Eenzelfde vereiste geldt op grond van art. 475 lid 1 Rv voor beslag op toekomstige vorderingen. Bepalend voor de vraag of de toekomstige vordering stil kan worden gecedeerd of verpand of dat beslag kan worden gelegd op die vordering, is dus 1. of het doen van een aanbod gekwalificeerd kan worden als het tot stand brengen van een rechtsverhouding, 2. of de vordering uit die rechtsverhouding wordt verkregen, en 3. of die verkrijging rechtstreeks is.1 Dat na het aanbod, maar voor de aanvaarding al een rechtsverhouding tussen partijen bestaat, is een uitvloeisel van het arrest Baris/Riezenkamp.2 Ook in de literatuur wordt aangenomen dat tussen onderhandelende partijen al een rechtsverhouding kan bestaan.3 Zoals hiervoor uiteengezet verkrijgt de geadresseerde van het aanbod reeds uit het aanbod de toekomstige vordering tot nakoming. Wat resteert is de vraag of die verkrijging ook voldoende rechtstreeks is. Mijns inziens is dat in zijn algemeenheid niet uitgesloten.4
Ten aanzien van beslag is verdedigd dat de vordering niet rechtstreeks wordt verkregen, als voor het doen ontstaan van de vordering nog een rechtshandeling moet worden verricht.5 Hantering van dit criterium zou ertoe leiden dat een toekomstige vordering uit een aanbod niet onder de reikwijdte van de artikelen 3:94 lid 3 BW, 3:239 BW en 475 Rv valt, nu de vordering pas ontstaat na aanvaarding. Er is echter ook kritiek geuit. Rongen schrijft dat aan het vereiste van rechtstreekse verkrijging slechts beperkte betekenis toekomt.6
De beperking dat stille cessie, stille verpanding of beslag niet mogelijk is als de geadresseerde nog niet heeft aanvaard, berust op de presumptie dat dit in strijd zou zijn met zijn partij-autonomie. Door te aanvaarden toont de geadresseerde immers pas dat hij de verplichtingen en vorderingen uit het tot stand te brengen contract op zich wil nemen. Dat is bij stille cessie en stille verpanding mijns inziens echter niet aan de orde. De geadresseerde van het aanbod gaat immers zelf over tot het bij voorbaat beschikken over zijn vorderingsrecht. Bovendien ligt nog steeds in handen van de geadresseerde of de vordering uiteindelijk ontstaat, nu hij degene blijft die het wilsrecht kan uitoefenen. Bij beslag ligt dit anders, nu niet de geadresseerde zelf maar zijn schuldeiser daartoe de beslissing neemt. De invulling van de norm van de artikelen 3:94 lid 3 BW, 3:239BWen 475 Rv is echter gelijkluidend.7 De wetgever heeft niet gewild dat de bedrijfsvoering van een debiteur kan worden stilgelegd door beslag op toekomstige vorderingen al te ruim toe te staan.8 Dit had volgens Rongen echter vooral betrekking op beslag op bankrekeningen.9 Beslag op vorderingen uit aanbod is minder ingrijpend, nu het de geadresseerde van het aanbod nog altijd vrijstaat om zelf te beslissen over het aanvaarden danwel verwerpen van het aanbod.
Of stille cessie of verpanding van of beslag op een toekomstige vordering uit een aanbod mogelijk is, hangt er mijns inziens vanaf of reeds uit het aanbod voldoende duidelijk een verbintenis voortvloeit. Om een verklaring te kunnen kwalificeren als een aanbod, is vereist dat deze zo bepaald is dat de geadresseerde met een simpel ‘ja’ de overeenkomst tot stand kan brengen. De instemming kan eventueel impliciet afgeleid worden uit gedragingen of stilzitten. Mijns inziens hoeft niet gezocht te worden naar een aanvaarding om stille cessie, stille verpanding of beslag mogelijk te achten. Bij stille cessie en verpanding speelt dit des te sterker, nu door mededeling te doen de beperkingen kunnen worden omzeild.
Interessant is dan nog de situatie waarin een vordering uit een aanbod is beslagen of verpand en het aanbod vervolgens wordt verworpen, waarna een nieuw aanbod wordt gedaan. Of dan sprake is van een nieuwe rechtsverhouding of van een modificatie van een bestaande rechtsverhouding, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als blijkt dat partijen hun bestaande (precontractuele) rechtsverhouding in aangepaste vorm wilden voortzetten en de vordering uit het eerste aanbod vrijwel ongewijzigd wordt overgenomen, blijft het beslag of pandrecht mijns inziens in stand.10
243. Of het mogelijk is om het wilsrecht tot het sluiten van een overeenkomst stil te verpanden of cederen of om daarop beslag te leggen, hangt af van de overdraagbaarheid van dat recht. Het karakter van nevenrecht betekent niet dat het wilsrecht niet zelfstandig overgedragen kan worden.11 Wel moet het wilsrecht kunnen worden beschouwd als een zelfstandig vermogensrecht. Wanneer dat het geval is, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd.12 In een concreet geval moet worden aangesloten bij de in art. 3:6BWgeformuleerde criteria. Het wilsrecht tot het totstandbrengen van een overeenkomst is mijns inziens doorgaans te beschouwen als een vermogensrecht, nu het strekt tot het verschaffen van stoffelijk voordeel aan de geadresseerde, of zal zijn verkregen in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld voordeel.
Art. 3:83 lid 3 BW bepaalt dat andere goederen dan eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten slechts kunnen worden overgedragen voor zover de wet dat bepaalt. H.J. Snijders vat de regel van art. 3:83 lid 3 BW ruim op, in de zin dat overdraagbaarheid niet expliciet hoeft te zijn toegekend in de wet, maar moet passen in het wettelijk systeem.13 Of een wilsrecht overdraagbaar is, hangt af van de overdraagbaarheid van het recht dat uitoefening van het wilsrecht in het leven roept.14 Een wilsrecht dat een naar zijn aard of krachtens partijbeding onoverdraagbare vordering in het leven roept, is zelf ook niet overdraagbaar. Overdracht van het wilsrecht tot aanvaarding van het aanbod tot het aangaan van een overeenkomst heeft tot gevolg dat de verkrijger, als hij het wilsrecht uitoefent, partij wordt bij de overeenkomst met de aanbieder. Dit komt neer op contractsoverneming. Overdracht van het wilsrecht is mijns inziens dus alleen mogelijk met medewerking van de aanbieder, overeenkomstig art. 6:159 BW.15 Voor beantwoording van de vraag naar de mogelijkheid van het vestigen van een pandrecht op een wilsrecht geldt art. 3:98 BW als uitgangspunt, op grond waarvan de regels die gelden voor overdracht van overeenkomstige toepassing zijn op de vestiging van beperkte rechten. Dezelfde nuances als hiervoor zijn aangegeven voor de overdraagbaarheid van een wilsrecht gelden dus voor de mogelijkheid van verpanding.
Wat betreft de mogelijkheid van beslag op wilsrechten meen ik dat het uitgangspunt van de wetgever blijkens art. 3:276 BW is, dat in beginsel op alle vermogensbestanddelen van de schuldenaar beslag kan worden gelegd, tenzij er prangende redenen zijn om het tegendeel aan te nemen. De Hoge Raad heeft in het arrest Van den Bergh/Van der Walle16 uitgemaakt dat beslag op kredietruimte niet mogelijk is.17 Hieruit volgt mijns inziens niet dat beslag op wilsrechten in geen geval mogelijk is. In navolging van Steneker meen ik dat wilsrechten voorwerp van beslag kunnen zijn als hun economische waarde door de beslaglegger kan worden geëxecuteerd. 18 Executie is mogelijk door overdracht of door uitoefening van het wilsrecht. Of de beslaglegger in een concreet geval het wilsrecht zal kunnen uitoefenen, is volgens de Hoge Raad in het arrest Van den Bergh/Van der Walle niet in zijn algemeenheid te beantwoorden.19 W. Snijders bepleit dat de beslaglegger de mogelijkheid kan hebben tot het uitoefenen van het wilsrecht, nu blijkens art. 477 lid 4 Rv een beslaglegger ook mag opzeggen om een vordering opeisbaar te maken.20 W. Snijders en, zo lijkt het, Steneker leiden hieruit de algemene regel af dat de beslaglegger een wilsrecht kan uitoefenen als dat ‘nauwelijks verdere rechtsgevolgen’ in het leven roept dan het ontstaan van een opeisbare vordering.21 In het geval het wilsrecht de mogelijkheid tot het totstandbrengen van een overeenkomst betreft, ontstaat er naast een opeisbare vordering veelal ook een verplichting voor de geadresseerde. Dit lijkt mij ingrijpender dan ‘nauwelijks verdere rechtsgevolgen’, wat er in de redenering van Steneker en W. Snijders toe leidt dat de beslaglegger die bevoegdheid niet kan uitoefenen. Steneker acht het feit dat een verplichting ontstaat voor de geadresseerde echter geen bezwaar om aan te nemen dat de beslaglegger het wilsrecht kan uitoefenen.
244. De bestaande vordering van de geadresseerde tot nakoming van de nevenverbintenis tot het in stand houden van het aangebodene en van de verplichting om zich als een goed huisvader te gedragen kan mijns inziens verpand worden en is vatbaar voor beslag. Denkbaar is dat iemand die belang heeft bij het in goede staat blijven van de goederen die aangeboden worden aan de geadresseerde, zoals een schuldeiser of een afnemer, de vordering zal willen overnemen en uitoefenen als de geadresseerde daar niet toe in staat is of geen aanstalten toe maakt. Het is echter wellicht moeilijker voorstelbaar dat deze vordering een voor schuldeisers interessant verhaalsobject is.