De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/6.5.3.2:6.5.3.2 Intrekking
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/6.5.3.2
6.5.3.2 Intrekking
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377977:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 20 februari 2001, JAR 2001/110.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
274. Ten slotte is in de rechtspraak de vraag aan de orde gekomen of het intrekken van een 403-verklaring in strijd kan zijn met de redelijkheid en billijkheid. De wet geeft wederom geen ruimte voor uitzonderingen op het uitgangspunt dat de hoofdelijke aansprakelijkstelling kan worden ingetrokken. Het Hof Amsterdam wees in 2001 een vordering af in een procedure, waarin eiser zich op het standpunt stelde dat de moedermaatschappij kennelijk onredelijk handelde door het intrekken van de verklaring.1 In voorkomende gevallen zal de vennootschap die een 403-verklaring intrekt wel maatregelen moeten treffen om de (toekomstige) gevolgen van de intrekking jegens de schuldeisers geheel of ten dele ongedaan te maken. Bij beantwoording van de vraag wanneer maatregelen moeten worden genomen, speelt volgens het Hof onder meer mee of tussen partijen overeenstemming bestaat over het feit dat intrekking van de verklaring gerechtvaardigd was door slechte bedrijfsresultaten. Ook is van belang of de intrekkende vennootschap een toezegging heeft gedaan over het nemen van maatregelen.