Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.2.2.2
7.2.2.2 Aanvaarding en verwerping van een legaat
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS380439:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Erfrecht, p. 149; Asser/Perrick 4, 2013, nr. 557.
Zie ook art. 4:3 lid 3, art. 4:46 lid 3, art. 4:192 lid 1 en 4:201 lid 3 BW.
Zie art. 3:15d lid 2, art. 3:15e lid 1 sub c en d, art. 3:62 lid 1 en 2, art. 3:242, art. 3:317, art. 6:194 lid 3, art. 6:227b lid 1; art. 6:230, art. 6:230o lid 3, art. 6:230v.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV, nr. 140.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 408 (TM); E.B. Rank-Berenschot, Bezit, Mon. NBW B7, nr. 12.
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 933 (MvA II).
Zie bijvoorbeeld Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 767 (MvA II); Krzemiński 2013, p. 109.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 766 (MvA II); Krzemiński 2013, p. 108.
Krzemiński kent het begrip ‘ondubbelzinnig’ in art. 3:242 BW grote betekenis toe, omdat het aangeeft dat de toekenning van herverpandingsbevoegdheid boven elke twijfel moet zijn verheven. Hij geeft echter niet aan hoe dat begrip moet worden geduid of wat het rechtsgevolg is van niet ondubbelzinnige toekenning. Krzemiński 2013, p. 109.
Handboek Erfrecht 2011, p. 448.
Kolkman en Veltman 2004, p. 777.
289. Anders dan bij een nalatenschap, kan een legaat gedeeltelijk worden verworpen, tenzij uit het legaat anders voortvloeit.1 Beneficiaire aanvaarding van een legaat is niet mogelijk, maar ook niet nodig, nu art. 4:121 BW de mogelijkheid verschaft aan de legataris om de op hem rustende sublegaten en lasten te verminderen indien het aan hem gelegateerde onvoldoende is om aan deze verplichtingen te voldoen. Vermindering van een sublegaat houdt in dat het deel van de vordering van de sublegataris dat het legaat overstijgt, tenietgaat.
Verwerping van een legaat is blijkens art. 4:201 lid 3 BW vormvrij, maar moet ondubbelzinnig geschieden. Art. 4:201 lid 3 BW is niet de enige plaats in Boek 4 waar het woord ‘ondubbelzinnig’ wordt gebruikt,2 en ook elders in het BW komt de term voor.3 De kwalificatie ‘ondubbelzinnig’ wordt enerzijds gebruikt bij gedragingen en anderzijds bij wilsverklaringen. In de eerste categorie van gevallen is ondubbelzinnigheid functioneel, bij de tweede mijns inziens niet. Een Boek 4-voorbeeld van de eerste categorie is het vereiste in art. 4:192 lid 1 BW dat de erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt, mits hij niet al eerder zijn keuze voor zuivere dan wel beneficiaire aanvaarding of verwerping heeft uitgebracht. Een ander voorbeeld is dat voor het inbezitnemen van een onroerende zaak ‘ondubbelzinnig bezit’ wordt vereist, wat betekent dat er op grond van de gedragingen van de vermeend bezitter geen redelijke twijfel over mag bestaan of hij voor zichzelf dan wel voor een ander houdt.4 De eis van ondubbelzinnigheid heeft hier een functie. Als de vermeend bezitter zich nu eens wel, en dan weer niet als bezitter gedraagt, blijkt niet dat hij het goed voor zichzelf houdt en kan dus niet worden vastgesteld dat hij het bezit van de zaak heeft verkregen. Het vereiste van ondubbelzinnigheid ligt dus al besloten in het hebben van bezit.5 Voor de zuiver aanvaardende erfgenaam geldt dat de intentie om zuiver te aanvaarden alleen mag worden verondersteld als hij steeds als heer en meester over de goederen van de nalatenschap beschikt.6 Het gaat in deze gevallen met andere woorden om een bestendige gedragslijn.
Mij is niet duidelijk wat de juridische consequentie is van ‘ondubbelzinnigheid’ als het als vereiste wordt gesteld aan een wilsverklaring, zoals gebeurt in art. 4:201 lid 3 BW, maar ook bijvoorbeeld in art. 3:242 BW aangaande de toekenning van herverpandingsbevoegdheid. De wetgever wil in deze situaties tot uitdrukking brengen dat de bedoeling van de verklarende niet twijfelachtig mag zijn.7 Het is mijns inziens echter een binaire kwestie: de wil tot verwerping dan wel toekenning blijkt wel of niet uit de verklaring. Dit zal door uitleg moeten worden vastgesteld. Ten eerste is onzeker volgens welke maatstaf moet worden bepaald of een verwerping of toekenning ondubbelzinnig genoeg is, zeker nu toekenning van herverpandingsbevoegdheid niet uitdrukkelijk hoeft.8 Ten tweede wordt niet geëxpliciteerd wat het rechtsgevolg is van een niet-ondubbelzinnige verwerping dan wel toekenning. Als een legataris kenbaar maakt het legaat te verwerpen, maar dat niet ondubbelzinnig doet, is het resultaat dan dat hij legataris blijft? Het is voorstelbaar dat een dispuut ontstaat over de vraag of een legaat is verworpen, zeker nu verwerping vormvrij is en dus kan worden afgeleid uit gedragingen. In welk opzicht wordt het rechterlijk oordeel dan gestuurd door het woord ‘ondubbelzinnig’? Als het zou moeten leiden tot een bewijsvermoeden van niet-verwerping, zou dat mijns inziens meer expliciet moeten worden geformuleerd. In het andere geval wordt hiermee aangegeven dat als uitgangspunt geldt dat de legataris het legaat wil behouden en dat niet te snel moet worden aangenomen dat hij het legaat verwerpt. Dit past in het patroon dat in het recht iemand wordt geacht te doen wat gunstig is voor zijn vermogen, nu een legaat doorgaans een voordeel voor de legataris zal opleveren en het dus niet voor de hand ligt dat hij het wil verwerpen. Hoe geldig dit uitgangspunt ook mag zijn, het woord ‘ondubbelzinnig’ in de wettekst heeft dan geen specifieke juridische betekenis.9
290. Verwerping en aanvaarding van erfgenaamschap zijn, anders dan die van een legaat, volgens art. 4:190 BW aan vormvoorschriften gebonden. Als reden voor dit verschil wordt aangevoerd dat de verkrijging van een nalatenschap doorgaans grotere vermogensrechtelijke gevolgen heeft dan de verkrijging van een legaat. Het verkrijgen van de goederen van een nalatenschap geschiedt bovendien van rechtswege, terwijl voor verkrijging van gelegateerde goederen levering is vereist.10Art. 4:192 BW ondermijnt echter de betekenis van het vormvoorschrift, nu uit het artikel blijkt dat als gevolg van gedragingen of stilzitten de erfgenaam kan worden geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard. Kolkman en Veltman schrijven dat de formele weg van art. 4:190 BW bijna nooit wordt gevolgd.11 De discussie of een erfgenaam moet worden geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard, spitst zich toe op de vraag of hij zich (wederom) ‘ondubbelzinnig en zonder voorbehoud’ als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen.