Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.3.2.2
I.3.3.2.2 Afweging strikte en ruime uitleg
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494131:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Opgemerkt dient te worden dat gebruik voor de omzetbelasting in beginsel een volgtijdelijk gebeuren is. Directe toerekening van kosten aan een bepaalde prestatie is over het algemeen bijvoorbeeld niet mogelijk als kosten zijn gemaakt nadat die prestatie(s) is (zijn) verricht. Zie nader par. 3.3.6.
HvJ 15 januari 1998, zaak C-37/96, V-N 1998/29.14 (Ghent Coal); HvJ 3 maart 2005, zaak C-32/03, FED 2005/72 (Fini H; m.aant. J.J.P. Swinkels); HvJ 8 juni 2000, zaak C-98/98, BNB 2001/118 (concl. A-G Saggio; Midland Bank; m.nt. M.E. van Hilten); HvJ 22 oktober 2015, zaak C-126/14, BNB 2016/135 (concl. A-G Kokott; Sveda; m.nt. J.J.P. Swinkels).
Zie nader par. 2.3.3.4 en 2.3.3.5.
HvJ 22 februari 2001, zaak C-408/98, V-N 2001/15.26 (Abbey National I).
Een strikte uitleg van ‘gebruik voor belaste handelingen’ kan zijn dat een ondernemer pas recht op aftrek van voorbelasting heeft als hij ingekochte goederen en diensten in een zo letterlijk mogelijke zin gebruikt voor prestaties onder bezwarende titel. Dit zou, bijvoorbeeld, impliceren dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat als een economische activiteit beperkt blijft tot voorbereidende werkzaamheden. In die situatie heeft de betreffende ondernemer immers geen prestaties onder bezwarende titel (belaste handelingen) verricht waarvoor hij de ingekochte goederen en diensten in strikte zin kan hebben gebruikt. Evenmin zou recht op aftrek van voorbelasting moeten bestaan als een ondernemer besloten heeft zijn onderneming te beëindigen en na zijn laatste uitgaande prestatie nog kosten maakt, bijvoorbeeld voor het opstellen van de laatste jaarrekening. Omdat geen prestaties onder bezwarende titel meer volgen, is zeer twijfelachtig of hij de jaarrekening in strikte zin voor belaste handelingen gebruikt.1 Andere voorbeelden van situaties waarin gebruik voor belaste handelingen in strikte zin ontbreekt, zijn het gebruik van goederen en diensten voor overdrachten waarvoor artikel 37d Wet OB 1968 geldt en voor andere ondernemerswerkzaamheden die geen prestaties onder bezwarende titel zijn (‘onbelastbare handelingen’, zie nader par. 3.3.3). Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat deze strikte uitleg van ‘gebruik voor belaste handelingen’ onjuist is. In het bijzonder blijkt uit de arresten in de zaken Ghent Coal, Fini H, Midland Bank en Sveda dat in alle hiervoor beschreven voorbeelden in beginsel wel degelijk recht op aftrek van voorbelasting bestaat.2 Aan de voorwaarde van ‘gebruik voor belaste handelingen’ kan blijkbaar dus ook zijn voldaan als niet in strikte zin sprake is van gebruik voor belaste handelingen.
Indachtig het systeem van de belasting en het doel van de aftrekregeling ligt een ruime uitleg van ‘gebruik voor belaste handelingen’ veel meer voor de hand. Het doel van de aftrekregeling is immers het wegnemen van omzetbelasting die ondernemers voor hun inkopen als ondernemer betalen, zo blijkt in het bijzonder uit artikel 1, lid 2, Btw-richtlijn.3 Het bereiken van dit doel vergt een wat flexibelere omgang met de voorwaarde van ‘gebruik voor belaste handelingen’. De veronderstelling dient te zijn dat alle voor een economische activiteit ingekochte prestaties voor belaste handelingen worden gebruikt. Daardoor ontstaat ruimte tot aftrek van voorbelasting te concluderen in een situatie waarin een economische activiteit niet daadwerkelijk tot belaste handelingen leidt (Ghent Coal), in een situatie waarin na het staken van belaste handelingen nog kosten nakomen (Fini H) en in situaties waarin, al dan niet door een fictie, gebruik voor belaste handelingen niet aan de orde is of slechts indirect (Midland Bank en Sveda). Het niet toestaan van aftrek van voorbelasting in deze situaties leidt tot het belasten van non-verbruik bij ondernemers. Het Hof van Justitie erkent dat dit de beoogde mededingingsneutraliteit van de omzetbelasting zou verstoren (zie ook par. 2.3.3.5). Zo overweegt het in de zaak Abbey National I over de vraag of aftrek van voorbelasting mogelijk is bij een onbelastbare overdracht van een algemeenheid van goederen:4
‘35. (…) Elke andere uitlegging van [artikel 168 Btw-richtlijn – WJB] zou in strijd zijn met het beginsel van volledige neutraliteit van het BTW-stelsel ten aanzien van de fiscale belasting van alle economische activiteiten van het bedrijf, op voorwaarde dat deze zelf aan BTW zijn onderworpen, en zou de ondernemer bij het verrichten van zijn economische activiteit belasten met de kosten van BTW, zonder dat hij deze zou kunnen aftrekken (…). Dit zou neerkomen op een willekeurig onderscheid tussen uitgaven ten behoeve van een onderneming vóór en tijdens de daadwerkelijke exploitatie van die onderneming, en uitgaven die zijn gedaan om die exploitatie te beëindigen.’