Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/189:189 Betekenis en wenselijkheid van het vereiste van art 3:239 lid 1 BW
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/189
189 Betekenis en wenselijkheid van het vereiste van art 3:239 lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26632:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In afwijking van de regel dat op ieder toekomstig goed, met uitzondering van de in lid 1 van art. 3:97 BW genoemde goederen, beperkte rechten kunnen worden gevestigd,1 bepaalt art. 3:239 lid 1 BW dat een stil pandrecht op een vordering uitsluitend kan worden gevestigd indien deze rechtstreeks voortvloeit uit een op het moment van het verrichten van de vestigingshandeling bestaande rechtsverhouding. Is aan dit vereiste niet voldaan dan kan een toekomstige vordering niet rechtsgeldig bij voorbaat worden verpand omdat de wet aan een geldige vestigingshandeling in de weg staat. Deze beperking roept de volgende, in de paragrafen 8.3.1 tot en met 8.4.2 te behandelen vragen op.
Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld of een toekomstige vordering rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW?
Is het wenselijk dat de beperking van de mogelijkheid tot stille verpanding bij voorbaat van toekomstige vorderingen wordt gehandhaafd?